|
Geschiedenis
van Amerongen

1600-1703
1703-1744
1744-1794
1794-1795
1795-1813
1813-1877
1877-1897
1897-1938
1938-Nu
1126-1420
Wanneer is ons dorp ontstaan. Wel, in 1126 lezen
we dat bisschop Godebald op bevel van Keizer Lotharius Amerongen aan de
rechtmatige eigenaars moest teruggeven. Die eigenaars waren de Proost en
het Kapittel de Dom. Vermoedelijk door nood gedreven had Godebald, Amerongen
en omgeving aan derden verkocht. De keizer hierop merkzaam gemaakt, dwong
Godebald om de zaak weer te herstellen. Officieel komen we dus in 1126
de naam Amerongen tegen, toch is het dorp al véél vroeger
bekend geweest, zij het onder andere namen.
Uit de oudste geschiedenis namelijk blijkt het
dat Amerongen vroeger andere namen heeft gekend. De naam "Hemur-Enge" zult
U allen al wel eens gehoord hebben. Land aan de Hemur betekend dit, vroeger
schijnt er in de nabijheid van ons dorp een riviertje gestroomd te hebben
die de naam "Hemur" droeg. De korfbalclub hier ter plaatse draagt deze
naam zodat de historie ook nu nog voort leeft.
Maar de oudste geschiedenis maakt ook melding
van andere namen n.l. Lote en Haschem. Hieruit blijkt dat ons dorp ook
nog over twee namen tegelijk beschikt heeft.
Haschem is de naam van het dorp zelf geweest,
terwijl Lote of Lutte de naam was voor alle gebied liggende tussen ons
dorp en Wijk bij Duurstede, toen Dorestad geheten.
De naam Haschem vindt U ook terug in de tegenwoordige
namen de Hazenberg en de Haaskamp. Het leuke is dat er een vereniging is
n.l. de hockeyvereniging die ook deze naam draagt. Vermoedelijk hebben
de oprichters van deze vereniging niet vermoed, dat hun terrein geen heenwijzing
was naar snelle viervoeters, maar veel meer slaat op één
der historische namen van Amerongen. Ook komen we in de historie tegen
de naam Emmeringen. Dit heeft dezelfde betekenis als Amerongen. Komen we
dus in 1126 officieel de naam Amerongen tegen, volgens oude geschiedenisschrijvers
moet het dorp als nederzetting toch al bestaan hebben in de tijd der Romeinen,
en dus ook een Germaanse nederzetting geweest. O zeker, men zal dit bestrijden
door te zeggen dat de Germanen zich in de Betuwe op-hielden, maar we kunnen
het toch beter eens zijn met degenen die zeggen, de Bataven leefden van
jacht en visvangst, en waar was beter terrein voor hen geschikt dan Amerongen.
Met uitgestrekte bossen en water. Trouwens ook
het feit dat in de bossen twee archeologische monumenten zijn, als zijnde
Romeinse grafheuvels wijzen hierop. Als U zich indenkt waar nu de Uithof
staat, dat daar achter vroeger een kasteel gestaan heeft genaamd "Lievendael"
(later komen we daarop nog terug) en dat juist deze naam véél
in de vroegste historie voorkomt, dan moet hieruit wel blijken dat als
nederzetting, Amerongen véél langer heeft bestaan. Nauw verbonden
met het dorp betreft de geschie-denis van het Kasteel Amerongen. Ten onrechte
wordt wel eens gedacht, dat het dorp zijn ontstaan te danken heeft aan
het Kasteel, dat is niet zo. We hebben al aangetoond dat het dorp Amerongen
in 1126 bestond. het Kasteel Amerongen is van latere datum. In 1286 geeft
Floris V graaf van Holland, aan de Borre's toestemming om een huis te timmeren,
met daarbij 4 bunders grond, en een voorburg, welke wij nu nog kennen als
de Laan of Margaretha Turnorlaan.
Deze graaf Floris V graaf van Holland, die in
die tijd, klaarblijkelijk ook de heerschappij over Amerongen voerde, is
in de historie geen onbekende. Immers hij was het die de Lekdijk, onder
zijn grootvader aangelegd, ver-sterkte tot een kering van het water, om
zodoende de beveiliging van Utrecht en grote delen van Holland voor watersnood
te behoeden.
Amerongen was en is hooggelegen, had dus direct
geen belang bij de toen genaamde Leckendijk, tenminste het dorp zelf, wel
natuurlijk de vele boer-derijen en buitenplaatsen langs de Lekdijk gelegen.
Zo hebben we dus gezien dat de Borre's de eerste
bewoners van het huis Amerongen waren. Het waren geen onbekenden, want
hun naam komt ook al in de oudste geschiedenis voor. Zij kregen dus toestemming
om het huis te timmeren, dit doet ons denken aan een houten geval, zo was
het echter niet. Het een uitdrukking die gebruikt werd voor het bouwen
van een huis. In dit geval dus een Ridderhofstad of zoals wij het noemen
een kasteel. Vanaf die tijd, dat het kasteel gebouwd werd, loopt de geschiedenis
van het dorp en het kasteel volledig samen. Dan blijkt hoe groot de betekenis
van het kasteel en haar bewoners voor het dorp geweest is.


Hij zou echter bij aankomst bij hotel "Het Rode
Hert" geweigerd hebben uit zijn koets te komen, uit angst voor de vijandigheid
die hij overal ontmoette. Toen hij echter een inwoner duchtig aan zijn
pijp zag trekken waarop zijn beeltenis stond, meende hij rustig uit te
kunnen stappen en in het hotel te vertoeven. Een bevolking die hem blijkbaar
zo goed gezind was, zou hem geen kwaad berokkenen. Een ander verhaal uit
die tijd vermeldt dat een ondergedoken hollandse kapitein door de Fransen
was gevangen genomen en doodgeschoten zou worden, hij zou een opstand hebben
voor-bereid om de Fransen uit Utrecht te verdrijven. In de stad Utrecht
zou het vonnis worden voltrokken. Deze kapitein was erg bevriend met één
van de gravinnen van het kasteel. Lady Christine van Athlone. Deze probeerde
bij de Franse Commandant in Utrecht, gratie voor kapitein van Kapelle te
verkrijgen. Tot tweemaal toe mislukte dit, maar zij gaf niet op, ten derde
maal ging zij naar generaal Molitor. En deze keer had zij meer succes.
Generaal Molitor scheen door haar tranen en vasthoudendheid zo geroerd
te zijn, dat hij een voorstel deed. Hij kende Lady Christine, wist dat
ze een vurige aanhangster van Oranje was, welnu hij zou het leven van Kapelle
sparen onder één voorwaarde. Als zij het Franse volkslied
zong, zou hij het leven van Kapelle sparen.
Christine tobde zich af, aan de ene kant stond
het leven van haar vriend, aan de andere kant het zingen van het Franse
volkslied, wat als verraad moest gezien worden aan de Nederlandse zaak.
Zij tobt zich af, maar plotseling breekt de zon
door. De Franse Generaal kent géén woord Nederlands, en met
een beetje halen en trekken zingt zij het Franse volkslied althans de melodie,
maar de woorden zijn van ons oude Wilhelmus. De generaal vliegt er in en
van Kapelle komt vrij en vlucht naar het buitenland. Zo zien we maar weer
dat dappere Nederlandse vrouwen er niet alleen in de oorlog 194O-1945 waren.
Aan deze tijd zien we bij het Amerongse Berghuis nog een herinnering. De
Kolom, een herdenkings-naald opgericht door de bewoners van het kasteel,
ter herdenking aan de slag bij Waterloo. Deze Kolom stond vroeger hoger
op de Berg, maar nadat de Amerongse bossen in de dertiger jaren om financiële
redenen werden verkocht, lieten de nieuwe eigenaren de Kolom afbreken en
begraven. Dit stond de Amerongers maar slecht aan, vooral de brandweer.
Deze bewezen niet alleen bij brand, maar ook op een andere manier paraat
te zijn. Onderleiding van commandant T. Eijffius werd de Kolom in 't holst
van de nacht opgegraven en naar het Kasteel vervoerd, in 1963 werd de Kolom
met medewerking van de gemeente opnieuw opgericht en staat weer als teken
van onverzettelijkheid zichtbaar voor iedereen. Maar ook Napoleons tijd
raakt teneinde. Na de beslissende nederlaag in 1813, trekken Pruisen en
Russen ons land binnen.
Klik hier om terug te gaan
naar het begin
1813-1877
Opnieuw wordt Amerongen een inkwartieringsdorp.
Een heel oud boekje vertelde ons, dat de Russen, Kozakken zoals ze toen
genoemd werden, de hekjes bij de burgers afbraken om hun vuren te stoken.
Zo heeft ons dorp in het laatst van de 18e eeuw en in het begin van de
19e eeuw veel vreemdelingen binnen haar grenzen gezien. Allerlei taal werd
er in het dorp gesproken. Hoewel de bevolking zeer zeker ook geleden zal
hebben onder de druk van de vreemde soldaten, moeten we toch wel aannemen,
dat er een groot verschil was met b.v. de bezetting van 194O-1945. Men
krijgt de indruk dat het in die tijd wel wat moeilijker ging. Natuurlijk
was er ook toen sprake van vordering, voedsel voor manschappen en paarden,
inkwartiering, levering van hout enz. Maar de geweldige dwinge-landij,
zoals in de laatste oorlog komen wij niet tegen. Het gewone leven van de
bevolking ging toch door. Wel spreekt de historie ook van het elkaar helpen,
hetzij op last van de overheid of vrijwillig. Zo wordt vermeld dat in één
van de strenge winters, de kasteelheer de lindebomen langs de straatweg
Amerongen-Leersum ter beschikking stelt voor de bevolking. Meteen treedt
de overheid dan op. Niet iedereen mag maar zo voor zich-zelf gaan zagen.
Neen iedereen die kan, moet helpen, de bomen worden gerooid, klaar gemaakt
voor haard en kachel en dan eerlijk verdeeld. Maar wanneer dan eindelijk
in 1814 de vrede van Parijs wordt getekend, keert de rust in ons dorp weer.
De vreemden zijn weg, men kan zich weer volledig met eigen zaken bezighouden
en aan een nieuwe toekomst werken.
De fransen zijn verdwenen, een nieuwe toekomst
voor ons dorp ligt open. Is het een rijke? Hebben de Franse ondanks alle
narigheid wat goeds na-gelaten? Ja zoals het na iedere bezetting van een
land gebeurt, komt er toch een verandering. Ook Amerongen beleeft bepaalde
hervormingen van Napo-leon die blijven. Denk maar aan onze namen, voor
de Franse tijd trof je nog veel namen die wezen naar de vader b.v. Piet
Janszoon afgekort Piet Jansz. Lijsbet Willems. De Fransen vonden dat maar
een rare toestand. Fr moesten achternamen komen. Dit leidde soms tot vreemde
situaties. Toch komen we in ons dorp geen vreemde uitschieters tegen, zoals
dit elders wel gebeurde. Hoe velen zitten nu nog met een naam, die ze zelf
niet leuk vinden. Je zou de indruk krijgen, dat sommigen er een gek heidje
van maakten, misschien met de gedachte die naam is maar tijdelijk. Het
kwam echter anders uit. Vele namen die toen gekozen werden komen we nu
nog tegen. Sommigen waren er gauw klaar mee. Was het voorheen Janszoon,
welnu dan maar Jansen, Pietersen enz. Anderen zochten het meer in de naam
van de plaats waar ze woonden, of vandaan kwamen, denk maar aan van Doorn,
van Ingen enz. Of aan hun beroep, Smid, Koetsier enz. Zo zijn al deze namen
te ontlenen en zijn ze bewaard gebleven. Hoe zag dat Amerongen er nu verder
uit. Wel er is dus in 1815 Opgetekend, dat er 1O25 inwoners waren. Onze
voorouders hadden dus meer levensruimte dan wij, die op dezelfde plaats
nu met 67OO mensen wonen. Maar ook de woningen geven vanzelf een heel ander
beeld. Zitten we nu in de buurt van 2OOO, toen waren het er 12O in de kom.
We moeten dus denken aan het gedeelte voornamelijk ten zuiden van de Koningin
Wilhel-minaweg en 5O verspreid, waaronder Overberg, Elst en Lekdijk. Je
zou dus denken, O als het aantal inwoners toen zo laag was, hoefden ze
niet naar andere plaatsen om hun werk te vinden, niets is minder waar.
De bevolking bestond uit, neringdoenden ambachtslieden, boeren, arbeider
en natuurlijk de groep van intellectuelen waar we gevoeglijk onder kunnen
rekenen, pre-dikant, arts, notaris, groot grondbezitters enz. Uit de annalen
blijkt dat vele mannen toch naar elders gingen omdat er geen werk voor
ze was. Men trok zelfs naar Duitsland, om zo de kost voor vrouw en kinderen
te verdienen. Behalve het Kasteel en de Ridderhofstad "De Natewisch" waren
er geen bijzondere gebouwen, zoals gestichten, ziekenhuis of klooster.
Het laatste was geen wonder, want er was geen Rooms Katholieke kerk. Na
de kerkhervorming is Amerongen een overwegend Protestants dorp gebleven.
Wel is er in de vroegere Elisabethschool aan de Gasthuisstraat na de laatste
wereldoorlog nog enkele jaren een R.K. kerk geweest. Maar door de bouw
van de Sint Andries kerk in Leersum, is deze opgeheven. En de Elisabeth-school
werd afgebroken. Ook al omdat aan de Burg. V.d. Boschstraat, een kleuterschool
werd gebouwd, die ook de naam van de Elisabethschool draagt.
Klik hier om terug te gaan
naar het begin
1877-1897
Deze naam is een herinnering aan gravin Elisabeth
van Reede Ginckel die de school in 1877 aan de gemeenschap schonk. Van
die 17O woningen die ons dorp telden waren 16 boerderijen en 85 arbeiderswoningen
de rest werd ingenomen, door de andere in 't voorgaande genoemd. De tabaks-bouw
was in deze tijd, ook een voorname bron van inkomsten, in die tijd bedroeg
de verbouw 3OO.OOO pond. Daar konden dus heel wat pijpjes enz. van worden
gerookt. Maar als men door de regels heen leest dan blijkt dat de handelaar
er het meest aan verdiende. Men zou dus zeggen, dan was er toch werk genoeg.
Maar we moeten niet vergeten dat het veel seizoenarbeid was, en dat allen
uit het gezin mee moesten helpen om de oogst binnen te halen. Deze tabaksoogst
werd dan weer gecombineerd met de bonen. Hé zeggen we, wat een rare
combinatie. Toch niet zo verwonderlijk. De ouderen onder ons zullen zich
nog goed weten te herinneren dat om een stuk tabak zogenaamde heggen stonden.
Zo'n stuk was een park groot, zo noemde men dat, een park was 2O roede
en een roedewas ongeveer 14 m² en 3O cm².
Deze heggen bestonden uit, staken van essen,
eiken of dennenhout, en werden bijeengehouden door zogenaamde heggarden,
die horizontaal staken bijeenhielden. Hoofdzakelijk werden hier pronkbonen
of pronkers aangeteeld, die droog werden geplukt, gedorst en in 't gezin
in de herfst en winteravonden werden geschoond of gelezen. Zo hielp dus
het hele gezin mee om aan de kost te komen. Hongerig waren de Amerongers
blijkbaar ook, want 6 bakkers deden hun best om hun brood aan de man te
brengen. Ook getimmerd werd er volop, want 4 timmermannen hadden een eigen
zaak. Zij die zich geen zorgen hoefden te maken over concurrentie waren
de metselaars, de wagenmaker en de schilder, want zij waren éénlingen.
2 Smeden zorgden dat de paarden beslagen werden,
en het ijzerwerk in stand bleef, zoals ook de 2 schoenmakers zorgden, dat
de zolen en hakken werden vernieuwd. Wat erg opvalt is, dat er in deze
tijd niet minder dan 5 kleermakers waren. Of de Amerongse vrouwen hadden
geen tijd of konden het niet. Of de mode was zo veranderlijk dat 't ze
niet voorkonden. In ieder geval de 'snijdertjes' verdienen hun brood. Een
olie- en een wind-molen, zorgden dat het graan tot meel werd gemalen.
In een jaar wordt er ook heel wat geslacht. Opmerkelijk
is dat er in de kronieken geen slagers worden genoemd. Misschien was het
een nevenbe-roep, want wel worden er in één jaar 25 koeien
en circa 15O kalveren ge-slacht benevens een onbekend aantal varkens. Wetsovertreders
schijnen er nogal te zijn geweest, want in het raadhuis zijn 2 cellen waar
desnoods 6 arrestanten kunnen worden opgeborgen. 316 morgenland, ongeveer
28O H.A. wordt gebouwd met boekweit, rogge, weit of tarwe, haver en gerst
en aardappelen, terwijl 394 H.A. bestaat uit weiland. De overige H.A. bestaan
uit sparrenbossen, heidevelden, hakhout en veengronden.
Opgemerkt moet worden dat men juist in deze tijd
weer is begonnen met de bebossing van de heidevelden waardoor de uitgestrekte
bossen ontstonden, zoals wij die nu nog kennen. Waarin het dorp geen gebrek
aan was, dat waren de cafés of kroegjes, die vond men overal, veelal
ook als bijverdienste. Lange tijd stond er binnen het terrein van de Hervormde
kerk/hoek Nederstraat een herberg genaamd "De Swaen", terwijl in het tegenoverliggende
huis de herberg "De Prins van Oranje" was gevestigd. Of onze voorouders
na de prediking behoefte aan een borrel hadden is mij niet bekend. Dat
zij hem wel lusten leidt geen twijfel. Ik heb getracht U een indruk te
geven van ons dorp zoals het te voorschijn kwam na de Franse overheersing,
misschien wat droog, maar toch dacht ik wel interes-sant. Deze keer gaan
we eens iets anders van ons dorp bekijken. U weet dat Amerongen begrensd
wordt door uitgebreide bossen. Die bossen hebben al-tijd bij de Hoge Heerlijkheid
van het Kasteel Amerongen gehoord. Onder-zoekingen hebben aangetoond dat
vroeger in de Middeleeuwen deze bossen al hebben bestaan. Vermoedelijk
zijn in die tijd door geweldige stormen, veel woudreuzen geveld, en werd
het bos zo zwaar geteisterd, dat men er waarschijnlijk tegen op zag om
alles opnieuw in te planten. Het gevolg was dat er uitgebreide heidevelden,
bos of driestgras stukken ontstonden, waar-door de heuvels kale bonken
vormden. Wel schijnt men verschillende lanen geplant te hebben waarvan
nu nog stille getuigen staan, denk maar aan de eeuwenoude beuken aan de
Bergjessteeg, de Veenseweg naar het Berghuis en de Franselaan. Toch vervulden
in die tijd ook de heide en Driestvelden een belangrijke taak. Behalve
koeien, hielden de boeren ook schapen. Deze dieren vonden voldoende voedsel
en vrijheid. Zij werden vanaf het dorp via een bepaalde weg naar het bos
gebracht. In ons dorp kennen we nog de Schapendrift die hieraan herinnert.
Deze mondde uit op de tegenwoordige Pr.Bernhardlaan voor 195O Drift geheten.
Jammer dat deze naam verdwenen is. Voor onze Prins was nog wel een andere
laan gevonden. Maar de vroede vaderen van toen beschikten anders. Zij vonden
zelfs de laan te lang voor één naam en noemden het noordelijk
gedeelte de Boslaan.
Nu langs deze wegen werden de schapen naar hun
velden gedreven. Vandaar de naam Drift of Dreef. En véélal
bracht de herder of herderin ze dan 's avonds weer terug. In of tegen de
bossen aan trof men vroeger ook verschillende schaapskooien. Helaas zijn
de meeste ook verdwenen, evenals de tabaksschuren. In Leersum heeft men
er één door overplaatsing kunnen behouden, deze staat nu
op het Landgoed Zuylenstein in is nog steeds in gebruik. Bekend was tot
in de 3Oer jaren de Schaapskooi staande in de zgn. Ronde Morgen ten oosten
van de Kopselaan. Helaas is deze door brand volledig verwoest.
We vonden er in die tijd één in
het Delse Hok. Dat was ten noorden van de begraafplaats aan de Holleweg.
Op de vlakken berg heeft er ook één gestaan, terwijl men
ze ook véél vond in Overberg. Gelukkig staan er nu nog een
paar in dit buurtschap. Laten we hopen dat deze bewaard zullen blijven.
We komen weer op ons uitgangspunt terug. Onze bossen van nu bestonden dus
hoofdzakelijk uit zandheuvels en heidevelden. Totdat men er in de tijd
van Napoleon erg in had dat deze gronden beter te gebruiken waren. Men
ging bossen aanplanten en het hout kon voor allerlei doeleinden gebruikt
worden. Er was timmerhout nodig. De boeren moesten hun weilanden af kunnen
palen. De landbouwers hadden heghout nodig om hun tabak voor windschade
te behoeden. Als we de verkopings-aankondigingen van honderd jaar geleden
lezen, dan wordt dit allemaal vermeld:
Geschikt voor boerengerief, houdt hooibergroeden,
brandhout, bonenstaken enz. Op deze verkopingen werd ook véél
gekocht door boeren en handelaren uit de Betuwe. Die hun gekochte waar
dan met paard en wagen naar hun bestemming brachten. Zo hadden we in die
tijd dus als dorp ook al export al was het dan niet buiten onze landsgrenzen.
Maar ook de eigenaars van de bossen hadden zelf véél hout
nodig, ook voor hun afzetting van landerijen enz, maar ook véél
voor brandhout, als U nagaat dat de kastelen Amerongen en Zuijlestein vrijwel
geheel met hout werden verwarmd, ik kan me nog uit mijn jeugd herinneren,
dat drie mensen vrijwel het gehele jaar bezig waren om in de bossen, vooral
dode beuken, berken en eiken te vellen, alleen voor de houtvoorraad voor
het Kasteel. Dan waren er ook nog steeds 3 â 4 mensen bezig in de
zagerij, om het gevelde hout aan kachelhout te zagen, en de houtkelder
in 't kasteel te vullen. Denk dan ook nog aan de voerlui die het gevelde
hout, uit de bossen naar de zagerij brachten. Dan had U waarschijnlijk
nooit vermoed dat er zovéél arbeids-kracht nodig was, om
alleen een kasteel en bijbehoren te verwarmen. Behalve dan wat de bevolking
in het dorp nodig had. Wat zijn de tijden dan toch veranderd. Wij draaien
maar aal een knop en onze elektrische gas of olieverwarming doet de rest.
Stel U voor dat een tehuis als "De Ridderhof" iedere kamer met hout moest
verwarmen. We zouden zeggen dat lukt nooit. Maar toen was de toestand in
de tehuizen ook anders, daar kom ik later nog wel eens op terug. Zo zagen
we dus de verandering die in het begin van de vorige eeuw plaats vond in
onze omgeving, en waar we nu het resultaat van zien. Wel wil ik er nog
even op wijzen, dat als U nu in de bossen wandelt dan ziet U overal omgewaaide
bomen, afgewaaide takken, en afgehakt hakhout liggen. Nu, tot voor de tweede
wereldoorlog zag men die niet, ieder houtje werd verzameld. Het dunne hout
werd gebost of gebundeld, en gebruikt door de bakkers om hun ovens te stoken.
Nu ziet men de waarde van dergelijk afval op een andere manier, laat het
rustig liggen en vergaan, om zodoende weer een vruchtbare bodem voor de
bossen te behouden. Voorheen werd ook de heide en het mos weggehaald, diende
voor strooisel in de stallen. Sinds echter de Ame-rongse bossen in de jaren
dertig overgingen in handen van de NV. Unitas was ook dit gebeurd. Deze
NV. zag wel in dat dit een beroven van de bodem was. Sindsdien is het dan
ook verboden om mos en bladeren uit het bos weg te halen. Deze NV. ging
nog verder door met bebossing, alle lege stukken werden volgeplant, om
het bos zo rendabel mogelijk te maken. Voor enkele jaren werden de Amerongse
bossen aangekocht door Staats-bosbeheer. Ik geloof dat voor het behoud
van de Amerongse bossen, dit het beste was.
Hoe is het nu in de 19e eeuw met de Kasteelfamilie
gesteld? Vertoeven zij er nog steeds?
In deze tijd, dus na de Franse overheersing,
is de zevende graaf van Athlone heer van Amerongen. Hij blijft na 1814
in dienst van de Engelse Koning. Maar in dat zelfde jaar wordt hij benoemd
tot lid van de Staten van Utrecht. Nu wordt het moeilijk. Niemand kan twee
heren dienen of hij moet de één liefhebben en de ander haten.
Graaf Reinhard begrijpt dit. Trouwens het is ook niet mogelijk. Wil hij
zitting nemen in de Staten van Utrecht, dan zal hij alles wat hem aan Engeland
bindt moeten neerleggen. Hij kiest dan de Engelse zijde en laat dit Koning
Willem 1 Weten. Men kan zich indenken dat het onze Koning niet lekker zat,
maar hij deelt de Graaf mede dat hij de benoeming als lid der Staten als
niet gedaan kan beschouwen. We kunnen ons indenken dat door deze beslissing
de band tussen de Graaf en het Vaderland en ook met ons dorp niet zo hecht
meer is. Wel werd hij in Nederland ook als graaf erkend. Maar zijn Woonplaats
is toch in Engeland. Kasteel Amerongen is onbewoond. Geen staatsie, geen
vrolijke kinderstemmen. O zeker, het Kasteel en de bezittingen Worden keurig
onderhouden, maar het is doods en stil. Als Graaf Rein-hard in 1823 sterft
op 5O-jarige leeftijd, is zijn 3-jarige zoon de opvolger. George Godard
Henry wordt de achtste graaf van Athione, en Vrijheer van Amerongen. Gelukkig
weet dit kereltje nog nergens van af. Want zijn vader was een man die toch
wel een vreemde erfenis naliet. Royaal legaten had toebedeeld aan de ene
kant, maar zware schulden aan de andere kant. De jonge weduwe krijgt het
advies, betaal geen legaten maar betaal de schul-den. Zij schijnt dit advies
te hebben opgevolgd. Gevolg dat velen blij waren met een dode mus. De weduwe
zocht steun, en vond die ook want in 1825 trouwt zij met Willem Gambier.
Uit dit huwelijk krijgt zij twee kinderen, die dus met de Amerongse eigendommen
niets te maken heb ben. Maar het gevolg van haar Engelse huwelijk is wel
dat George en Elisabeth uit het eerste huwelijk een volkomen Engelse opvoeding
krijgen. Zelden komt deze familie in Amerongen. Lang gelukkig is Gravin
Hen-riëtte echter ook niet geweest in haar tweede huwelijk. In 183O
sterft zij op 4O-jarige leeftijd.
Toch om even iets recht te zetten, al wordt Kasteel
Amerongen niet door de eigenaar bewoond. Fr zijn anderen die het huis weer
tot leven brengen, Lady Athlone keert met haar dochters naar Nederland
terug. Zij is de weduwe van de vijfde graaf van Athione en vertoeft véél
in het Kasteel. Zij is degene die het "Berghuis" heeft laten bouwen met
de daarbij gelegen theekoepel. Deze is helaas ook verdwenen. Zo zien we
dus dat het "Berghuis" al heel wat jaren een plaats van verpozing is geweest.
Moge dit ook in de toekomst als een plaats van ontspanning en rust blijven
Ieder die in die tijd het Berghuis bezocht schreef zijn of haar naam in
het gastenboek. Hierin vinden we ook de naam van Lady Jemima Bentinck Zij
was de Gouvernante van Prinses Marianne van Oranje. Zij hield hier echter
mee op omdat zij Marianne niet mocht opvoeden zoals zij dat wilde. Hoogstwaarschijnlijk
wilde zij een strenge aanpak, want Marianne was me er één.
Wilt U er meer van weten dan raad ik U aan eens te lezen het boek Prinses
Marianne. Geweldig interessant is de levensgeschiede-nis van deze vrolijke
Prinses. Maar genoeg, Lady Anna die dus toch wel véél in
Amerongen vertoeft, zij liet het Gedenkteken van de slag bij Waterloo opzichten,
de Kolom die wij nu nog vinden bij het Berghuis. Lady Jemima werd nu belast
met de zorg van de opvoeding van de jonge Graaf van Athlone en zijn zuster.
De achtste Graaf van Athlone heer van Amerongen heeft niet véél
van zijn bezittingen genoten, ten eerste vertoefde hij héél
weinig in Amerongen en hij stierf in 1842 op 22-jarige leeftijd.
Desondanks was hij bij zijn dood ook behalve
de reeds beschreven titel~ ook nog heer van Eck en Wiel, deze bezitting
werd door hem, of voor hem gekocht in 1839. De titel heer van Zuylestein
met de bezittingen was hem reeds in 183O in de schoot gevallen, doordat
het geslacht Nassau -Zuylestein was uitgestorven. Frederik Hendrik had
reeds bepaald, mocht dit ooit gebeuren Zuylenstein toch in de familie moest
blijven. Graaf George stamde hiervan af en zodoende werd Zuylestein zijn
eigendom. Bij zijn dood liet hij dit na aan zijn 1 jaar jongere zuster
Elisabeth Mary, die wij nog wel tegenkomen. De heerlijkheid Amerongen kwam
in handen van Georges oom Willem, deze was ook al heer van Middachten.
Deze is dan 63 jaar, beleeft er echter ook weer weinig plezier van, want
sterft een jaar later. Dan vervalt Amerongen aan twee tante's van George
n.l. Lady Mary en Lady Christine. Zij houden van Amerongen en laten ook
veranderin-gen aanbrengen. Maar helaas door de vele schulden die op de
bezitting rusten moeten zij verschillende stukken van de heerlijkheid verkopen.
Deze beide gravinnen hadden ook een buiten in den Haag, Rustenburg geheten.
Na de dood van Lady Christina in 1847 verkoopt haar zuster dit aan Koning
Willem II. Vijf jaar later overlijdt ook Lady Mary. Zij wordt in Amerongen
begraven en de laatste van Reede die in de Grafkelder wordt bijgezet. Amerongen
wordt nu ook het eigendom van Lady Elisabeth, de eigenaresse van Zuylenstein.
Deze woont ook in Engeland maar komt toch ieder jaar 6 weken naar Amerongen.
De beide kastelen werden door haar goed onder-houden. Een rentmeester zorgde
hiervoor. De verhalen gaan dat deze ook bijzonder goed voor zichzelf zorgde.
Lady Elisabeth is getrouwd met Fre-deric de Villiers, deze heeft haar véél
steun gegeven, bij het beheren van de landgoederen. Zij is het ook die
het Gedenkteken van Waterloo laat herstellen; hetwelk haar moeder had opgericht.
Zij schenkt aan de kerk in Amerongen 2 zilveren schenkkannen en 2 zilveren
schotels voor de Avond-maalsbediening. In 1877 laat zij in de Gasthuissteeg,
tegenwoordig straat, een school bouwen. Een bewaar-naai-en-breischool,
zoals men dat toen noemde.
Deze draagt de naam "Elisabeth school". Deze
naam is bewaard gebleven in de kleuterschool aan de Burg. Jhr. H. v.d.
Boschstraat.
In 1965 werd het oude schooltje afgebroken. Lady
Elisabeth's echtgenoot sterft in 1871. Hun huwelijk is kinderloos, zij
is wel peetmoeder van de zoon van haar neef Graaf Bentinck van Middachten.
In 1879 transporteert zij al haar goederen, behalve Zuylestein aan deze
jonge graaf. Dit komt bij testament in 1897 in bezit van de Bentinck's.
Klik hier om terug te gaan
naar het begin
1897-1938
Door haar dood is de laatste Reede heengegaan.
Zij was een vrouw hoewel veel in Engeland vertoevende, bij de bevolking
zeer geliefd, ik kan me uit miin jeugd nog herinneren dat oudere Amerongers
vol eerbied spraken over de oude meléddie. Een oud geslacht ging
voorbij, een nieuw komt "De Bentinck's". Nu gaan we weer verder met het
wel en wee van onze bevolking.
Zie we eerst eens naar de kerk. Er is nog al
meningsverschil over het onderhoud van de Pastorie. Domeinen is verantwoordelijk
hiervoor. Maar deze gooien er blijkbaar met de pet naar.
De kerkenraad doet tenminste een beroep op deze
instantie, en zegt, toe jongens laten we van het gezeur afzijn. Betalen
jullie nu maar een af-koopsom, en wij zullen de zaak zelf wel herstellen
en onderhouden. De Domeinen kiezen eieren voor hun geld en koopt zijn verplichtingen
af. De Amerongers zijn eenmaal geen gemakkelijke lui en Domeinen zal onge-twijfeld
gedacht hebben, dan zijn we van die zanikers af. De financiën schijnen
trouwens zowel voor Kerkvoogdij als Diaconie een voordurende zorg te zijn.
Dr. Querngester, een bekende arts uit die tijd, waarschijn-lijk een vriend
der armen, die misschien een beetje te royaal was, krijgt de mededeling,
hoor eens dokter, alles goed en wel, jij doet maar raak, maar voor je een
bedeelde van de Diaconie behandelt, moet je eerst toestemming van de Kerkenraad
hebben.
Ook zijn de inwoners van Overberg, niet erg gebrand
op een kerkelijke functie, want als ouderling van de Vendel het dorp verlaat,
is er in Over-berg geen opvolger voor hem te vinden. Toch heeft de kerk
ook haar sociale functie in die tijd al begrepen, want meester Dijkerman
krijgt
F 2O,-- per jaar voor het geven van onderwijs
aan kinderen, die het schoolgeld niet kunnen betalen. De kerk is ook eigenaar
van de Rouwmantels die gedragen worden bij een begrafenis. In 1836 worden
24 nieuwe mantels gekocht. In deze tijd blijkt dat ook de afscheiding van
1834 van Hendrick de Cock, in Amerongen navolgers heeft, er worden verschillende
akten van afscheiding genoemd. De diaconie tobt steeds met tekorten. Steeds
meer wordt een beroep op haar gedaan. Zij kan het niet volbrengen. En deelt
dan ook het gemeentebestuur mee dat zij voortaan alleen belij-dende leden
zal verzorgen. Het gemeentebestuur, ja hoe zit het daar feitelijk mee.
Nu daar lees je interessante dingen over.
De vroede vaderen zijn erg druk, op hun manier
dan. Op 25 augustus 1824 komt er bericht van Gedeputeerde Staten, dat op
bevel van de koning, het begraven van lijken in de kerk verboden is.
Tot die datum werden n.l. de doden begraven in
de kerk, voor diegene die n.l. een graf in de kerk hadden. De overigen
werden begraven om de kerk heen wat wij nu nog als taluds kennen. Leuk
is het om dan te lezen, dat de raad zich over dit punt onledig hield. Zij
komen er niet uit en zullen een volgende vergadering hierover verder gaan.
Ja ze zijn hier maar niet zo mee klaar. Want
diegene die een graf in de kerk bezitten, hebben dit gekocht en bezitten
rechten. Van grote waarde vind ik dat een plattegrond van deze graven in
de kerk bewaard is gebleven. Men treft daar heel wat oude Amerongse namen
aan. Misschien trouwe kerkganger, hebt U wel eens gedacht, ja daar onder
het koor liggen de van Reede Ginckels begraven, en hun wapenborden of grafstenen
hangen aan de kerkmuren. Maar nooit is het misschien bij U opgekomen dat
de hele kerk een begraafplaats is geweest. Laat U dit echter niet afschrikken
om trouw ter kerke te gaan. Zo was dat toen nu éénmaal de
gewoonte. Maar de gemeenteraad zat er mee, zij moesten zorgen voor een
nieuwe begraafplaats. Maar de oplossing komt. Er wordt een leuk stuk grond
ge-kocht, wat wij nu nog kennen als de Oude Begraafplaats.
Degenen die een eigen graf hadden in de kerk,
krijgen een plaats aangewezen, waar zij in 't vervolg hun doden mogen begraven.
Degenen die géén graf hadden, moeten nu voor een graf op
de begraafplaats 12 gulden betalen. Kom je uit een andere gemeente dan
betaal je dubbel, dus 24 gulden. Zo is dus het tijperk, in en om de kerk
begraven, afgesloten. Er wordt een begraafplaats aan de Elsterstraatweg
in gebruik genomen. Toen deze in de jaren 193O vol raakte, ging men over
tot de aanleg van een nieuwe begraafplaats aan de Holleweg. Deze werd in
1938 in gebruik genomen.
Klik hier om terug te gaan
naar het begin
1938-Nu
De oude begraafplaats is echter niet gesloten.
Soms ziet U dan ook dat hier nu nog overledenen in een familiegraf worden
begraven. Zo was de gemeenteraad er uit. Hoewel het U niets zegt misschien,
wil ik U toch de namen van de toenmalige gemeenteraad niet onthouden. Het
waren burgemeester J.W.A. Imminck, de raadsleden H. de Ridder, G. Weeninck,
G. Coolhaas, D.J. Harmsen, D. Vos, J. de Ridder en P.Versteegh. Ja die
burgemeester Imminck. Hij schijnt een goed burgemeester te zijn geweest.
Maar hij had een goede bijbaan, hij n.l. ook notaris. Dat komt, er was
n.l. dispensatie mogelijk, gegeven door de koning. Was er in de plaats
niet iemand anders, dan mocht dat. Natuurlijk een wassen neus. Ze kunnen
ons moeilijk wijsmaken dat hij de enigste was, die dit ambt kon vervullen.
Koning Willem II schijnt hier genoegen mee genomen te hebben. Maar als
deze is overleden in 1849 komt er in Amerongen een indrukwekkende brief,
zoals dat toen de gewoonte was als een vorst was overleden. Een brief met
een zwarte rand, ten teken van rouw. Maar alle indrukwekkendheid ten spijt.
Koning Willem III zegt, nu Amerongers hoe zit dat, hebben jullie nu echt
géén ander? Ja en dan zijn de poppen aan het dansen. Dirk
Vos wil best burgemeester zijn. En dan wordt burgemeester Imminck voor
de keus gesteld, of burgemeester of notaris, maar niet allebei. We zien
het voor ons, de burgemeester met zijn vrouw overleggen. Vos op de achtergrond,
wat zal het zijn munt of kruis? Imminck neemt het besluit. Toch maar Notaris.
En met ingang van 1 januari wordt Vos burgemeester. Ik heb zo'n idee dat
de financiën een hoofdrol hebben gespeeld. In ieder geval Imminck
schijnt later goed geboerd te hebben. En bewoonde ook één
van de mooiste huizen. Nu bewoond door fam. Bruinsslot. Misschien als hij
nog ééns even tijd heeft om te mediteren, dat hij ook eens
terug denkt aan die vorige bewoner die zo'n belangrijk besluit moest nemen.
Een ondeugende gedachte kwam bij me op, als burgemeester Mumsen en notaris
Stolk, nu ééns hun inkomen aan mij bekend maakten, had ik
het bewijs dat mijn gevolgtrekking juist was. Burgemeester Imminck is dus
een baan kwijt. Maar wat een verschil toen en nu. Je leest gewoon, de ene
raadsvergadering burgemeester Imminck, de volgende burgemeester Vos. Géén
afscheidsredevoeringen, géén receptie. Geen dank, nee bonjour
burgemeester. Morgen komen we nog alleen een verkoping opgeven, of het
testament laten maken, verder geen poespas. Nu dan kunnen wij Amerongers
van 1986 het beter. Maar ja misschien had-den onze voorouders toen geen
geld om zoiets te doen. Hoewel in Amerongen hebben ze altijd feest kunnen
houden ook al waren de financiën er niet.
Klik hier om terug te gaan
naar het begin

Klik
op de brief om mij een email te sturen