|
Amerongen
van de middeleeuwen tot aan de van Reede’s
Amerongen
en de Van Reede's
De
bouw van het nieuwe Amerongen
Amerongen
van de achtiende eeuw tot heden
Het dorp Amerongen wordt voor het eerst
genoemd in 1126, wanneer het recht van de Utrechtse Domproosdij erkend
wordt met betrekking tot het 'paludem, pertinentum ad Amerungon et Thornen
et Coten'. De herinnering aan dit lange moeras (paludem), dat zich uitstrekte
van Amerongen tot voorbij Doorn en Cothen, leeft nog steeds voort in de
naam van het dorp Langbroek, in de twaalfde eeuw ontstaan toen men de drassige
broekgrond ging droogleggen.
In dezelfde eeuw
komen wij onder de ministerialen van de bisschop, de halfvrije dienstlieden
die zich bezighielden met militaire of ambtelijke taken, een Albero van
Amerongen en zijn kleinzoon Gozwinus tegen. Op 9 april 1178 maakt bisschop
Godfried namelijk bepalingen over zijn nalatenschap, waarbij hij het kasteel
Ter Horst bij Rhenen opdraagt aan het bisdom; tijdens deze plechtige overdracht
zijn behalve een aantal met name genoemde vrijen ook beide Van Amerongens
als dienstman aanwezig. Pas vijftig jaar later, in 1225, treedt er in de
oude akten weer iemand op met deze naam en wel Jacob van Amerongen, die
als getuige aanwezig is bij een schenking van een bepaalde belasting door
bisschop Otto aan een klooster. Hij wordt gevolgd door Henricus van Amerongen,
schepen van Utrecht en dus een stedeling, die in 1260 meeoorkondt wanneer
een erf of hofstede in de 'nieuwe staat van de kleinhandelaren' verhuurd
wordt. Er is geen enkele aanwijzing dat wij hier te maken hebben met een
aantal generaties van dezelfde familie; bij grootvader Albero en kleinzoon
Gozewijn kunnen we nog aannemen, dat zij ook werkelijk in Amerongen gegoed
waren en zo een band met het dorp hadden, maar bij Jacob en Henricus is
dit helemaal niet duidelijk. Het is best mogelijk, dat hun naam alleen
betekent dat zij of hun voorouders uit Amerongen afkomstig waren. Ook is
het niet bekend of er in Amerongen toen al een versterkt huis stond, want
daarover horen wij pas op 20 juli 1286, wanneer graaf FlorisV van Holland
verklaart, dat Borre en Diederic van Amerongen zijn mannen van leen geworden
zijn 'van den huyse dat si doen timmeren te Amerongen'. Deze vermelding
is erg belangrijk, want het is een grote zeldzaamheid de exacte stichtingsdatum
van een kasteel te vinden. Hierdoor kunnen wij ook wat meer licht werpen
op de tijdsomstandigheden, waarin het huis Amerongen ontstond. Het lijkt
immers niet direct voor de hand te liggen dat een naburige landsheer
dat was de graaf van Holland uiteindelijk - zomaar leenheer wordt van enkele
personen uit het wereldlijk gebied van zijn buurman, de bisschop van Utrecht
en dan nog wel aan de andere grens van dit gebied.
Maar juist in de
dertiende eeuw was de wereldlijke macht van de bisschop sterk afgenomen;
in de stad Utrecht zelf had hij steeds te kampen met oproerige elementen,
nu weer van deze, dan weer van die kant, zodat hij nooit kon steunen op
een hechte basis. Daarbuiten had hij door grote geldnood allerlei onderdelen
van zijn macht moeten overdragen aan sterke vazallen. Van deze geldnood
had ook zijn buurvorst, graaf Floris V van Holland, gebruik gemaakt om
de elect Jan van Nassau - die wel ge-kozen was maar nooit in zijn bisschopsambt
bevestigd werd - met han-den en voeten aan zich te binden.
Floris V volgde
hiermee een politiek van penetratie binnen het Sticht, die al zijn grootvader
Floris IV had aangehangen. Bij de Utrechtse kroniek- schrijvers de Beka
en Heda vinden we immers vermeld, dat omstreeks 1234 met behulp van Holland
een aaneensluitende dijk werd gemaakt van Amerongen tot Schoonhoven. Hoewel
er al in de twaalfde eeuw, moge-lijk samenhangend met de al genoemde ontginningen
in het gebied van de Langbroekerwetering, een dijk langs de Lek gelegd
werd, berust dit bericht in de kern toch wel op waarheid en moeten wij
lezen dat deze dijk met hulp van Floris IV verhoogd en aaneengesloten werd.
Maar terwijl de bemoeienissen van deze Floris en zijn zoon, de Rooms-Koning
Willem II er in het Sticht vooral op gericht waren om de bedreigingen,
die een overstromende rivier voor het eigen gebied kon betekenen, te keren,
bleken de doelstellingen van Floris V wel wat ruimer. Ook hij speelde een
belang-rijke rol op het gebied van de dertiende-eeuwse waterstaat; zo werd
door zijn toedoen de noordelijke Lek/IJsseltak in 1285 bij Hoppenesse afge-damd.
Het is echter wel zeker dat hij op het verzoek van de in de omgeving wonende
Hollandse en Stichtse ingezetenen inging om op zo'n ma-nier meer vaste
grond onder de voet te krijgen voor zijn machtsuit-breiding.
Ook van de afkomst
van Borre en Diederic van Amerongen is ons niet veel bekend. Een twintigtal
jaren eerder worden in een tinsbrief van de dorpsgeestelijke van Amerongen
een Dyderic Barre en Aernoud zyn broerder als 'buurlieden' van het dorp
genoemd. Terwijl bij de bouw van het huis de naam Borre als voornaam gebruikt
wordt (deze naam kwam wel vaker voor en betekent beer), is hij bij Diederic
Borre een tweede aandui-ding. Een relatie tussen deze vier personen ligt
wel voor de hand, waarbij de betiteling 'buurlieden' interessante perspectieven
opent op de sociale mogelijkheden in die tijd.
Een van de boeiende
ontwikkelingen in dit gebied tussen de Utrechtse heuvelrug en de Rijn/Lek
is de relatief plotselinge bouw van een groep woontoren-achtige kastelen
rond 1300, alle nogal beperkt van afmetingen en bijbehorend grondbezit,
maar goed te onderscheiden van de rest van de dorpsbebouwing. Al eerder
waren er, in de directe nabijheid van de Kromme Rijn, een aantal kastelen
gebouwd door ministerialen van de bisschop. Zo werden Rijsenburg, Beverweerd,
Sterkenburg en Duurstede al rond 1250 gesticht door leden van de geslachten
Van Zuylen en van Wulven. Jongere leden van deze families namen een halve
eeuw later ook deel aan de bouw van de bescheiden woontorens, maar daarnaast
komen wij onbekenden tegen zoals de Borre's, die sociaal niet hoog op de
ladder stonden gezien dat 'buurlieden' (buren = de deelgerechtigde dorpsbewo-ners).
Veel wijst erop dat juist in deze tijd, met het losser worden van de feodale
banden en voor Utrecht daarenboven de verzwakking van de bis-schoppelijke
macht, verschillende aanzienlijke dorpelingen, die over vol-doende prestige
en middelen beschikten, hun kans schoon zagen en aan dit prestige vorm
gaven door de bouw van een versterkte toren. Dan kan men tegenover de mening,
dat deze reeks versterkte huizen ontstonden als landsheerlijke grensverdediging
tegen Gelre en dus uiteindelijk een uit-vloeisel waren van het 'burchtregaal',
het koninklijk recht om burchten te bouwen of te laten bouwen, juist het
omgekeerde stellen. In dat geval moeten verschillende van deze 'burgen'
en 'steinen' als een soort wildgroei van lokale macht beschouwd worden,
die wortel schoot tijdens het gezagsvacuüm dat ontstond door het optreden
van zwakke landsheren als Jan van Nassau en waarmee naburige landsheren
als Floris V en Otto van Gelre hun voordeel trachtten te doen. Hoe dit
ook zij, voor de nakome-lingen van Borre en Diederik van Amerongen, die
zich Borre van Ame-rongen noemden, betekende de bouw van het huis te Amerongen
een maatschappelijke basis, waarop zij eeuwenlang konden voortbouwen en
op grond waarvan zij tot het uitsterven van de familie in de achttiende
eeuw steeds een vooraanstaande plaats in het Sticht innamen.
Helemaal los van
leenbanden met het Sticht was Amerongen overigens niet, want het huis,
dat wij ons moeten voorstellen als een omgrachtte to-ren met muren van
ruim een meter dikte, omringd door enkele (houten) gebouwtjes, had een
voorburcht die blijkens de akten een Stichts leen was.
Een kleinzoon van
Borre, die de naam Johan droeg, huwde Vredina van Hemert. Van hun beide
kinderen Elias en Margriet weten wij voldoende om wat meer van hun leven
te vertellen. Margriet huwde de beruchte bastaard van Bisschop Jan van
Arkel, roofridder Jan van Rhijnesteyn, die vanaf het naburige kasteel Rhijnesteyn
in Cothen rond 1400 de verre omstreken onveilig maakte en ook buitenlands
als vechtjas gevreesd werd. Haar broer Elias heeft het waarschijnlijk tot
dijkgraaf gebracht, zoals kan blijken uit een commissiebrief van 1 februari
1422 waarin zijn neef Frederic Borre van Amerongen deze aanstelling krijgt
en Elias van Amerongen als voorganger genoemd wordt.
Elias zelf had slechts
één dochter, Bertha. Zij trouwde met Gerrit bastaard van
Culemborch. In deze tijd kreeg ook Amerongen zijn deel van de Hoekse en
Kabeljouwse twisten want in 1420 liet Jan van Abcou-de, een aanvoerder
van de Hoeken, het dorp platbranden en het huis gro-tendeels verwoesten.
Zeven jaar later deden de Geldersen hetzelfde. Al-leen de toren zal deze
aanvallen - zij het gehavend - doorstaan hebben. In de komende jaren was
grote armoede van dit alles het gevolg: Ameron-gen werd in 1434 door Gerrit
van Culemborch verpand aan Gijsbert van Nijenrode en zijn vrouw Bertha
stelde zelfs met haar zoon Elias en enkele vrienden een klaagschrift op
waarin stond dat zij honger en gebrek leed. In 1440 raakte Amerongen uit
de handen der Borre's toen zij en haar zoon afstand deden van hun rechten
ten behoeve van de hertog van Bour-gondië. Alleen het wapen der Borre's,
dat sindsdien door het kasteel ge-voerd wordt en waarmee het huis officieel
als ridderhofstad erkend werd, herinnert nog aan de stichters. De echtgenoot
van Bertha behield echter zijn recht van inlossing en maakte er in 1468
gebruik van zodat hij toen met Amerongen beleend werd nadat hij aan de
voorwaarden kon vol-doen. Twee jaar later verkocht hij het huis aan Willem
bastaard van Swieten uit het bekende Hollandse geslacht van die naam. In
1477 draagt deze Amerongen over aan Gijsbrecht van Hemert. Vanaf die tijd
tot diep in de zestiende eeuw is het meest opvallende uit de geschiedenis
van Ame-rongen een eindeloze reeks conflicten tussen leden van de geslachten
Van Hemert en Van Culemborch over vermeende rechten. Het zou ons te ver
voeren hier op dit juridisch touwtrekken, dat niet zelden met handgemeen
gepaard ging, dieper in te gaan. Zelfs toen het huis uiteindelijk aan de
Van Hemerts werd toegewezen, was het nog niet afgelopen met de twisten
want toen kregen verschillende leden van die familie onderling het nog
eens met elkaar aan de stok.
Helemaal naar boven

Een definitieve oplossing
bracht het jaar 1557, waarin het huis met in-stemming van alle betrokkenen
verkocht werd aan een onpartijdige derde, Goert van Reede van Saesveld.
Hij stamde uit een sinds de dertiende eeuw bekend Westfaals geslacht Von
Rhede, dat door huwelijk en erfenis in Overijssel terechtkwam. Goert zelf
bracht zijn jonge jaren in dat ge-bied door en bekleedde er enkele posities,
zoals drost van Lage en Die-penheim. Door zijn huwelijk met Geertruid van
Nijenrode raakte hij ook in het Sticht gegoed en hier zag hij veel meer
kansen om zich te ontplooi-en dan in het relatief afgelegen Oversticht.
Van 1555 tot 1564 was hij hoofdschout van Utrecht, in later jaren lange
tijd raad-ordinaris (raads-heer) in den hove van Utrecht. Hij werd echter
niet vanwege Amerongen in de ridderschap beschreven - het bezit van een
erkende ridderhofstad was hiervoor een van de vereisten - want Amerongen
is pas in 1597 als zodanig opgenomen. Dat hij zich in 1557 toch een plaats
verovert in dit gezelschap, had hij waarschijnlijk aan zijn vrouw te danken
die erfdoch-ter van het nabijgelegen Zuylesteyn was. Hier vinden we voor
het eerst een band tussen Amerongen en Zuylesteyn, die door de eeuwen heen
steeds weer aangehaald zal worden.
Ook Amerongen wordt
in de jaren ná 1581 geteisterd door de tachtigjari-ge oorlog. Zo
vallen in 1584 het huis en het naburige Zuylesteyn in han-den van de Spanjaarden
en wordt er bij beide huizen zwaar gevochten. Meer nog dan als magistraat
is Goert van Reede bekend geworden door zijn rol bij de afzwering van Philips
II als heer der Nederlanden in 1581, toen hij lid was van de Staten-Generaal
voor Utrecht. In die hoedanigheid staat hij afgebeeld op het grote hervormingsmonument
te Genève. Al vóór de afzwering was hij met zijn gezin
en het hele dorp tot de protes-tantse godsdienst overgegaan, maar dat schijnt
de eerste tijd toch niet zo-veel effect gehad te hebben als men wel pleegt
aan te nemen. Nog in 1606 heeft de predikant van Amerongen wel een honderd
tot honderdvijftig toehoorders, maar geen enkele deelnemer aan het avondmaal
en rond 1620 wordt het dorp ijverig bediend door een Jezuïet. Zelfs
is bekend dat weer een katholiek geworden lid van zijn eigen familie, pater
Theodorus van Reede, in deze streek protectie verleende aan priesters,
zodat op het huis Molesteyn aan de Langbroekerwetering een schuilkerk gehouden
kon worden. Jacob van Lennep verwerkte dit gegeven op boeiende wijze in
zijn roman De Pleegzoon'.
Tijdens zijn leven
liet Goert van Reede voor zijn vrouw en zichzelf een grafmonument maken
door de in die tijd beroemde beeldhouwer Jacob Colijn de Nole. Hierop zijn
zij beiden levensgroot afgebeeld. In enigszins geschonden toestand - in
1672 hielden de Fransen in Amerongen een eigen beeldenstorm
kan men deze beelden nog bewonderen in de kerk van Amerongen. Na lange
tijd als dorpels gebruikt te zijn en verspreid op het kerkhof gelegen te
hebben, werden de beelden in 1907 gerestaureerd en weer op een passende
plaats opgesteld, waarbij men het volgende op-schrift aanbracht:
Deze beelden van
Goert van Reede
heer van Amerongen overleden 19 april 1585
en van zijne echtgenote
Geertruyd van Nijenrode
vrouwe van Zuylesteyn
overleden 6 april
1605
zijn vervaardigd
door den Utrechtschen
beeldhouwer Jacob
Colijn de Nole
en opnieuw geplaatst
op kosten der Staten
van Utrecht in 1907
Zoals uit de bovenstaande inscriptie blijkt, overleefde Geertruid van Nij-enrode haar echtgenoot bijna twintig jaar. Na haar dood in 1605 twistten haar zonen Adriaan en Frederik van Reede over Amerongen, dat aan Fre-derik was toegewezen, naar aanleiding van een bepaling in het testament van hun vader. Hierin had hij namelijk een aantal voorwaarden ge-noemd, waaraan de echtgenotes van zijn zonen moesten voldoen om het gevaar van mesalliances tegen te gaan. Adriaan greep deze bepaling aan en beweerde dat er onder de voorouders van Frederiks vrouw, Cornelia van Oostrum, een 'ossenweyder' was en een man die 'herberghe plach te houden'. Maar Cornelia kon aantonen dat er al in de zestiende eeuw Van Oostrums in de ridderschap beschreven werden en Frederiks positie bleef onaangetast. Overigens gingen verscheidene instellingen zoals de ridderschap zich pas in de late vijftiende en de zestiende eeuw naar beneden toe afsluiten op grond van allerlei bepalingen die tevoren van weinig reali-teitszin getuigd zou hebben.
Na de dood van Frederik van Reede wordt zijn zoon Goert in 1612 met 'het huis mitten boomgaert, reaphorst, brouck, veen ende velt ende an-ders allen zijn toebehoeren' beleend door de Staten van Holland en West- Friesland volgens de oudste leenbrief die nog in het huisarchief van Ame-rongen aanwezig is. Goert was in hetzelfde jaar getrouwd met Anna van den Boetselaer, waarna zijn moeder Catharina van Merveldt (Frederiks tweede vrouw) zich terugtrok op Molesteyn aan de Langbroekerwetering. Intussen is het huis van de stereotiepe woontoren met enkele houten of lemen gebouwtjes eromheen uitgegroeid tot een heel complex.
Amerongen moet er
in die tijd uitgezien hebben als op de twee tekeningen die Roeland Roghman
in de zomer van 1646 of 1647 van het huis maakte, waarschijnlijk in opdracht
van een uitgever die een boek met 'gezichten' van oude huizen wilde samenstellen.
Op de eerste tekening zien wij de oostzijde van het huis, gedomineerd door
de ingangstoren, vanaf het terrein van de voorburcht. Tussen de voorburcht
en de gracht staat een lage stenen muur met rechts een klein poortje. Deze
muur is bij de herbouw na 1673 gehandhaafd en het poortje is nu nog te
herkennen. Het voerde naar een botenhuis; of er toen al een lage kade onderlangs
de gracht liep, zoals tegenwoordig, is niet duidelijk. Via de ingangspoort
kwam men waarschijnlijk op een binnenplaats, waaromheen een aantal kleine
en grotere aaneengesloten gebouwen ston-den. Sommige hiervan hadden trapgevels.
Links achter op
de tekening (aan de zuid-westzijde) is waarschijnlijk het dak en een gedeelte
van de muren van de oorspronkelijke donjon goed te zien. Deze toren staat
nog duidelijker op de tweede tekening van Rogh-man, gemaakt vanuit het
noord-westen. Hierop is ook het zeer onregel-matige karakter van de noordervleugel
goed te zien. Tevens geeft deze te-kening een idee van de voorburcht en
de bijgebouwen met trapgevels en kruiskozijnen die uit de tijd van de eerste
Van Reede's van Amerongen zullen stammen.
Met Goerts zoon Godard
Adriaan, die Amerongen in 1641 op twintigjari-ge leeftijd kreeg, breekt
er voor het huis een nieuwe tijd aan. In 1643 huwde hij de acht jaar oudere
Margaretha Tumor, met wie hij zich op Amerongen vestigde. Hoewel zij de
dochter was van een onbemiddeld Engels officier in het Staatse leger, bracht
zij voldoende mee in het huwe-lijk om de toekomst van Amerongen veilig
te stellen. Door haar moeder, Salomé van Meetkercken, was zij verwant
aan verschillende Zuid-Nederlandse geslachten die ook in de Noordelijke
Nederlanden (bijvoor-beeld in Zeeland) rijke goederen hadden. In het jaar
van haar huwelijk had zij als universele erfgename van haar oom, generaal
Jaques Wijts, een aanzienlijk vermogen verworven waaronder een huis in
Den Haag. Godard van Reede groeide op in de Republiek der Vereenigde Nederlan-den
in een tijd dat deze staat of statenbond in opkomst was en zich een belangrijke
plaats onder de Europese mogendheden verwierf. Wie de moeite nam zijn handen
flink uit de mouwen te steken kon het met een beetje geluk in deze samenleving
ver brengen, hetzij in de handel, hetzij op de vloot of - in mindere mate
- in het leger. Ook voor daadkrachti-ge, ambitieuze jonge edellieden zoals
Godard van Reede waren er ver-schillende mogelijkheden tot ontplooiing
in overeenstemming met hun afkomst en opvoeding.
Zo is Godard vooral
bekend geworden als vertegenwoordiger van de Ne-derlanden in het buitenland:
in 1655 zien wij hem in Denemarken, het jaar daarna vertrekt hij naar Zweden
en weer een jaar later verblijft hij aan het Poolse hof. In 1660 gaat hij
als extra ordinaris ambassadeur met enkele anderen naar Spanje. Hoewel
dit soort missies heel belangrijk wa-ren, werden zij beschouwd als erebaantjes
en derhalve wogen de vergoe-dingen nauwelijks op tegen de hoge kosten.
Alleen de gewone ambassa-deurs werden in verhouding goed betaald, maar
zij deden dan ook het routine-werk en waren eigenlijk een soort klerken.
Wanneer de heer
van Amerongen van zo'n verre reis voor wat langere tijd naar huis kwam,
bracht hij die graag met zijn gasten op het oude huis door. Samen met zijn
vrouw spaarde hij kosten noch moeiten om het kasteel te verfraaien en het
grondbezit uit te breiden, tot in de Betuwe en op de Amerongse berg toe.
Wanneer de achttiende-eeuwse afbeeldingen die er van het huis bekend zijn,
zoals de tekeningen van A.S. (A. Schou-man), juist zijn, dan heeft het
echtpaar Van Reede-Turnor zich niet be-perkt tot inwendige veranderingen,
maar ook de buitenkant van het huis ingrijpend gewijzigd. Ik doel hierbij
op de bouw van de hoge noorder-vleugel met kruiskozijnen en met een trapgevel
op het oosten. Hierdoor werd deze wand, die bestond uit een onregelmatig
complex aanbouwsels, in één keer recht getrokken. Op het
eerste gezicht lijkt een dergelijke nieuwbouw nogal ouderwets voor de jaren
rond 1650 - Roghman teken- waaromheen een aantal kleine en grotere aaneengesloten
gebouwen ston-den. Sommige hiervan hadden trapgevels.
Links achter op
de tekening (aan de zuid-westzijde) is waarschijnlijk het dak en een gedeelte
van de muren van de oorspronkelijke donjon goed te zien. Deze toren staat
nog duidelijker op de tweede tekening van Rogh-man, gemaakt vanuit het
noord-westen. Hierop is ook het zeer onregel-matige karakter van de noordervleugel
goed te zien. Tevens geeft deze te-kening een idee van de voorburcht en
de bijgebouwen met trapgevels en kruiskozijnen die uit de tijd van de eerste
Van Reede's van Amerongen zullen stammen.
Met Goerts zoon Godard
Adriaan, die Amerongen in 1641 op twintigjari-ge leeftijd kreeg, breekt
er voor het huis een nieuwe tijd aan. In 1643 huwde hij de acht jaar oudere
Margaretha Tumor, met wie hij zich op Amerongen vestigde. Hoewel zij de
dochter was van een onbemiddeld Engels officier in het Staatse leger, bracht
zij voldoende mee in het huwe-lijk om de toekomst van Amerongen veilig
te stellen. Door haar moeder, Salomé van Meetkercken, was zij verwant
aan verschillende Zuid-Nederlandse geslachten die ook in de Noordelijke
Nederlanden (bijvoor-beeld in Zeeland) rijke goederen hadden. In het jaar
van haar huwelijk had zij als universele erfgename van haar oom, generaal
Jaques Wijts, een aanzienlijk vermogen verworven waaronder een huis in
Den Haag. Godard van Reede groeide op in de Republiek der Verenigde Nederlan-den
in een tijd dat deze staat of statenbond in opkomst was en zich een belangrijke
plaats onder de Europese mogendheden verwierf. Wie de moeite nam zijn handen
flink uit de mouwen te steken kon het met een beetje geluk in deze samenleving
ver brengen, hetzij in de handel, hetzij op de vloot of - in mindere mate
- in het leger. Ook voor daadkrachti-ge, ambitieuze jonge edellieden zoals
Godard van Reede waren er ver-schillende mogelijkheden tot ontplooiing
in overeenstemming met hun afkomst en opvoeding.
Zo is Godard vooral
bekend geworden als vertegenwoordiger van de Ne-derlanden in het buitenland:
in 1655 zien wij hem in Denemarken, het jaar daarna vertrekt hij naar Zweden
en weer een jaar later verblijft hij aan het Poolse hof. In 1660 gaat hij
als extra ordinaris ambassadeur met enkele anderen naar Spanje. Hoewel
dit soort missies heel belangrijk wa-ren, werden zij beschouwd als erebaantjes
en derhalve wogen de vergoe-dingen nauwelijks op tegen de hoge kosten.
Alleen de gewone ambassa-deurs werden in verhouding goed betaald, maar
zij deden dan ook het routine-werk en waren eigenlijk een soort klerken.
Wanneer de heer
van Amerongen van zo'n verre reis voor wat langere tijd naar huis kwam,
bracht hij die graag met zijn gasten op het oude huis door. Samen met zijn
vrouw spaarde hij kosten noch moeiten om het kasteel te verfraaien en het
grondbezit uit te breiden, tot in de Betuwe en op de Amerongse berg toe.
Wanneer de achttiende-eeuwse afbeeldingen die er van het huis bekend zijn,
zoals de tekeningen van A.S. (A. Schou-man), juist zijn, dan heeft het
echtpaar Van Reede-Turnor zich niet be-perkt tot inwendige veranderingen,
maar ook de buitenkant van het huis ingrijpend gewijzigd. Ik doel hierbij
op de bouw van de hoge noorder-vleugel met kruiskozijnen en met een trapgevel
op het oosten. Hierdoor werd deze wand, die bestond uit een onregelmatig
complex aanbouwsels, in één keer recht getrokken. Op het
eerste gezicht lijkt een dergelijke nieuwbouw nogal ouderwets voor de jaren
rond 1650 - Roghman teken-
Helemaal naar boven

De
bouw van het nieuwe Amerongen
Al een paar weken later, op 23 maart 1673 schreef Godard van Reede naar de bouwmeester van de Grote Keurvorst, de Brabander Mathias Smidt, over de mogelijkheid om in Brandenburg hout te krijgen voor de herbouw. In mei of juni 1674 kwamen drie Amsterdammers in verband met een verzoek tot schadevergoeding voor een dag of vijf naar Ameron-gen om te spreken over het slopen van de ruïne en de herbouw. Dit waren ltenderick Geurtsz Schut, meester-timmerman, Cornelis Rietveidt, meester-metselaar en Jan Fick, 'ordinari werckbaas 500 in affbreecken van vervalle huyse als graven, delven en diergelijcke'.
Van dit drietal was Schut de belangrijkste persoon; waarschijnlijk had Margaretha Tumor hem in Amsterdam leren kennen en was hij degene die kort tevoren 'de Gekroonde Truffel' gebouwd had. De drie Amsterdammers zijn het erover eens, dat Amerongen 'diergelijcke 500 alst voor desen heeft gestaan, voor geen hondert duisent gulden sou-de konnen gemaeckt worden, vermits all de materialen per asch aen 't huis moeten gebracht worden'.Alleen een deel van de zuidwestertoren, de oude donjon, is nog blijven staan. Herbouw in de oude toestand ligt dan ook niet voor de hand en wanneer op 6 februari 1676 een schadevergoeding van f 40.000, wordt toegekend, zijn Schut en Rietveld al druk bezig met de bouw van een nieuw Amerongen, opgetrokken in de klasicistische barokstijl van die da-gen. In enkele jaren verrees op de plaats van het oude kasteel een huis, dat in de architectuurgeschiedenis van ons land een geheel eigen plaats in-neemt: strak en overwogen van lijn en vol ingetogen allure. Van overbo-dige ornamenten is geen sprake; geen enkele decoratie leidt de aandacht van de bezoeker af, wanneer hij naar het huis opziet.
Het is niet bekend,
wie de architect van dit huis is geweest. Een van de veronderstellingen
luidt dat Mathias Smidt of een der Nederlandse bouw-meesters die met hem
aan het hof van de Grote Keurvorst verkeerden, het ontwerp geleverd heeft.
Meer dan een schets kan dat niet geweest zijn, want wanneer hij het huis
in aanbouw in 1676 bezoekt, geeft hij als me-ning te kennen dat 'alles
wel en massief en net gemaakt' is, maar 'dat, vol-gens syn opinie de deuren
wel wat wijder hadden behoren te zyn . Met de details heeft hij zich dus
niet bezig gehouden. Daarom lijkt het meer voor de hand te liggen, om de
schepping van het nieuwe Amerongen toe te schrijven aan de samenwerking
tussen de meester-timmerman Schut en de Vrouwe van Amerongen zelf. Want
zij is degene geweest, die uiteinde-lijk toezicht op het werk hield, die
'5 ochtends vroeg al op de steiger te vinden was en die allerlei kleine
en grote beslissingen nam, waarvan zij haar man in den vreemde op de hoogte
stelde. De ervaren Schut, die in Amsterdam menig kloek grachtenhuis gebouwd
moet hebben, zorgde er-voor dat haar wensen zo goed mogelijk werden uitgevoerd.
Tussen 1674 en 1680
werd de bouw voltooid. Men bereikt de ingang van het kasteel vanuit het
oosten via een dubbele stenen brug. Op zichzelf was zo'n constructie niets
nieuws, maar over het algemeen maakte men de on-derbrug van hout, zoals
nu nog bij Sterkenburg aan de Langbroekerwete-ring te zien is en wat ook
vroeger bij Leeuwenburg het geval was.
Bij het binnentreden
van het huis via de bovenbrug komt men eerst in een grote hal. Links en
rechts ziet men een viertal deuren, waarvan er aan iedere kant maar een
echt is.
Loopt men recht
door, dan bereikt men via een korte gang de 'lange gang' die van noord
naar zuid loopt en architectonisch een vondst is om het massale volume
inwendig te breken en een lichte indruk te geven. Achter de 'lange gang'
liggen verscheidene kamers en de Grote Zaal.
Vanuit de Hal voeren
links en rechts langs de korte gang twee trappen omhoog. De plaatsing van
deze trappen is kennelijk een heel probleem geweest, zoals blijkt uit de
plattegrond van de eerste verdieping. Terecht heeft men gekozen voor de
uiteindelijke oplossing. Via een grote trap be-reikt men de meest indrukwekkende
ruimte van het huis, de zeer hoge ho-vengalerij.
Gezien de dikke
muren van de korte oost-westgang naar de galerij kan men zich de vraag
stellen of wij hier niet de plaats van de oude poort moe-ten zoeken. Dit
zou betekenen dat de oppervlakte van het huis naar het oosten toe aanmerkelijk
vergroot is. Voor deze veronderstelling pleit de huidige plattegrond van
het huis, die duidelijk bijna vierkant is, terwijl de oude tekeningen de
indruk geven van een lange Oost- en westzijde en een korte noord- en zuidzijde.
Als slotstuk werden
op de voorburcht de stallen met twee paviljoens ge-bouwd en legde men temidden
van de rechtgestoken grachten een 'basti-on' aan, dat het huis extra ontoegankelijk
maakte.
Godard van Reede heeft niet dikwijls van zijn huis kunnen genieten, want nadat prins Willem III in het rampjaar 1672 tot stadhouder van vijf pro-vincies, kapitein-generaal en admiraal benoemd was, steeg ook zijn ster als trouw aanhanger van Oranje. Weer werden aan Van Reede vele be-langrijke missies opgedragen. Het was de tijd van de grote allianties, een tijd waarin de diplomatie steeds meer een vak wordt met vaste spelregels en waarin men het nut van internationaal overleg algemeen gaat onder-kennen. Ook de gelijknamige zoon van Godard en Margaretha krijgt zijn kansen nadat Willem III aan het bewind kwam.
In tegenstelling
tot zijn vader had hij voor een militaire loopbaan gekozen. Als heer van
Ginkel is hij in onze geschiedenis bekend geworden en als graaf van Athlone
en baron van Agrim werd hij in Engeland be-roemd na zijn overwinningen
in Ierland in 1690 en 1691 op de schoon-vader van Willem III, Jacobus II.
In 1681 is er hoog
bezoek op Amerongen: op een dag in november komt de prins met een groot
gezelschap, onder wie zijn beide vertrouwelingen Bentinck en Ginkel, naar
het buis om van daaruit te gaan jagen. Het werd een wilde jacht; bij de
achtervolging van een hert belandde men zelfs hele-maal in Langbroek, waar
het dier gevangen werd. Intussen is Godard nog steeds op reis, nu meestal
langs de Duitse vorstenhuizen en dat zal nog lang zo blijven. In december
1684, met het uitzicht op weer een Kerstfeest zonder haar echtgenoot, kan
Margaretha het niet nalaten haar man pla-gend te dreigen met alle twaalf
Ginkeltjes naar hem toe te komen, om te kijken hoe hij het daar in Berlijn
maakt. Spoedig daarna zijn de omstan-digheden zodanig, dat hij kan terugkeren.
Tot 1690 zal hij meestal in de Republiek verblijven, in 1688 wordt hij
zelfs lid van de Raad van State. In 1690 krijgt Godard van Reede echter
weer een opdracht, nu naar het Deense hof. Dit maal neemt hij de zending
met enige aarzeling aan. Ten-slotte is zijn vrouw bijna tachtig jaar oud
en voor hem zelf is zo'n verre reis ook niet onbezwaarlijk, temeer daar
hij aan het hof bijna niemand meer kent, nu de oude koning dood is. Maar
men weet hem te overtuigen van zijn onmisbaarheid en zo moet hij weer afscheid
nemen van zijn vrouw en hun geliefde Amerongen.
Het wordt een afscheid
voorgoed. In oktober 1691 was Van Reede nog steeds in Denemarken, toen
hij plotseling ziek werd en na acht dagen overleed. Groot was de verslagenheid
in Amerongen en in het hele land. Van alle kanten bereikte Margaretha betuigingen
van medeleven, waar-onder van hooggeplaatste staatslieden die zij persoonlijk
kende.
Haar enige zoon
Godard van Reede, heer van Ginkel, die in 1666 gehuwd was met Ursula Philipotta
van Raesfeld, erfdochter van Middachten, volgde zijn vader op als heer
van Amerongen. Margaretha zou haar echt-genoot ruim negen jaar overleven.
Ook de jonge Godard
draagt zijn steentje bij aan de verfraaiing van Ame-rongen. Hij besteedt
veel aandacht aan de tuinen en laat het nabij gelegen huis Lievendaal,
dat zijn vader al aan het afbreken was, helemaal slopen, om zo vanuit het
huis een ruim uitzicht op de Amerongse berg te hebben. Als landscommandeur
van de Duitse orde, Balije van Utrecht en als gou-verneur van het gewest
neemt hij in het Sticht een zeer belangrijke positie
in.
Helemaal naar boven

De achttiende eeuw
brengt vooral voor het interieur van het huis grote veranderingen mee.
In de tijd van Godard van Reede en Margaretha Tur-nor had men het huis
vrij sober ingericht. De mooiste meubelen en met name de belangrijkste
collectie officiers- en familieportretten, die Marga-retha geërfd
had van haar oom Jacques Wijts, waren waarschijnlijk de hele zeventiende
eeuw door in hun huis in Den Haag gebleven. Vooral na het huwelijk van
Van Ginkel's zoon, Frederik Christiaan van Reede, tweede graaf van Athlone,
in 1715 met Henriette van Nassau-Zuylestein is het huis geheel naar de
eisen destijds van binnen aangekleed. Uit een inventaris van het jaar 1721
weten wij dat Amerongen toen nog weinig kostbaarheden borg. Hierbij speelde
de dikwijls maandenlange afwezig-heid van de familie zeker een rol.
Een inventaris uit
1748 geeft echter een heel ander beeld. Uit deze lijst spreekt een aanzienlijk
verfijnder en weelderiger smaak. Er zijn nu veel meer meubels op het huis
en de kasten blijken gevuld met porselein, zilver en damast.
Het huwelijk van
de tweede graaf van Athlone met een afstammeling van Frederik Hendrik betekende
een extra versteviging van de oude banden tussen het huis van Oranje en
het geslacht Van Reede; tevens ontstaan er zo opnieuw hechte contacten
met het nabijgelegen Zuylestein.
In tegenstelling
tot leden van andere families, die door de dienst aan het hof van koning-stadhouder
Willem III in hoge aanzien kwamen en veren-gelsten, bleven de Van Reede's
steeds georiënteerd op het vaderland. Wel voerden zij de Engelse titels
van graaf van Athlone en baron van Agrim, maar de inkomsten van deze goederen
genoten zij niet.
Dikwijls was Amerongen
nu het centrum van familiebezoek en logeerpar-tijen. Door zijn echtgenote
was de vijfde graaf van Athlone, Frederik Christiaan Reinhardt (1743-1808)
verwant aan de schrijfster Belle van Zuylen, die hier regelmatig vertoefde.
Men maakte tochtjes door de om-geving en zeer geliefd was vooral het uitstapje
naar het huisje 'Colom-bier' op de Amerongse berg, dat lady Anna Athlone
zo genoemd had naar het huis van haar beroemde nicht en haar familie in
Zwitserland. Pas toen de Fransen in 1795 de Nederlanden binnenvielen, vertrokken
de mannelijke leden van de familie naar Engeland om zich daar bij de ge-vluchte
stadhouder Willem V te voegen. In 1798 volgden de vrouwelijke leden.
De vijfde graaf
van Athlone had zich in de jaren voor 1795 die ook in Utrecht
gekenmerkt waren door felle strijd tussen patriotten en prinsgezinden als
lid van de Ridderschap en als hoofdschout van de stad Utrecht niet erg
geliefd gemaakt door tal van onjuiste beslissingen.
In Engeland deed hij zijn best om weer de beschikking te krijgen over de inkomsten uit de Ierse goederen. Hoewel men daar niet veel voor voelde, omdat de Van Reede's bijna een eeuw lang niets van zich hadden laten horen, lukte het hem toch vanaf 1800 in aanmerking te komen voor een jaargeld. Voor Amerongen betekende dit vertrek naar Engeland ook na de totstandkoming van het Koninkrijk der Nederlanden in 1815 weer een lange periode van afwezigheid van de eigenaren. Wat in geen eeuw gelukt was, gebeurde nu binnen twintig jaar: de familie schoot wortel in Engeland, huwde met Engelsen en verengelste spoedig. Slechts zo nu en dan kwam men op het buis logeren, maar voor de rest van de tijd bleef het onbewoond. In die jaren bracht Mr C. Robidé van der Aa, liefhebber van oudheden en schrijver van een boek over kastelen en oude huizen, een dag door op Amerongen. In het verslag van zijn bezoek aan het onbe-woonde huis klaagde hij er over, dat de talrijke schilderijen niet allemaal even gunstig geplaatst zijn: 'Eene vereeniging der hier en daar verspreide stukken, in een der wel verlichte vertrekken, zoude daarom hoogscht wenschelijk te achten zijn' (1846). De negende graaf van Athlone, Willem Gustaaf Frederik, was toen al twee jaren tevoren overleden. Bij zijn dood waren er geen mannelijke nakomelingen meer en zo kwam het huis in 1844 aan zijn zuster, Maria Wilhelmina, rijksgravin van Reede. In 1852 liet zij Amerongen en het uitgebreide goederenbezit dat er bij hoorde met de heerlijkheden Ginkel, EIst, Lievendaal en Eck en Wiel na aan haar nicht Elisabeth Mary Child Villiers, geboren Van Reede. In 1843 had zij van haar broer, George Godard Henry, achtste graaf van Athlone, al het kasteel Zuylestein geêrfd dat hij op zijn beurt na het uitsterven van de Nassau's Zuylestein met de vijfde graaf van Rochfort in 1830 had ont-vangen. Zo waren Amerongen en Zuylestein weer in één hand gekomen. 'Lady Elisabeth' koesterde een grote belangstelling voor beide oude hui-zen en bracht jaarlijks zes weken op Amerongen door. Het is goed te be-grijpen dat zij zocht naar een oplossing om ook in de toekomst Ameron-gen in stand te houden. Zij vond die door Amerongen op haar petekind, de vierde zoon van haar neef Bentinck, heer van Middachten (1792-1862) te transporteren toen hij meerderjarig was geworden. Zo verwierf Go-dard John George Charles, graaf van Aldenburg Bentinck in 1879 het kasteel en het rijke goederenbezit, dat na de dood van zijn tante in 1897 werd gecompleteerd met Zuylestein. Hij stamde uit een tak van de familie Bentinck die nauw verweven was met de geschiedenis van de Van Ree-de's: zijn stamvader was Hans Willem Bentinck, vertrouweling van de koning-stadhouder en eveneens bevriend met Godard van Reede-Ginkel. In de loop van de tijd waren de beide families op verschillende manieren verwant geraakt; zo waren Bentinck's grootmoeder en betovergrootmoeder beiden Van Reede's van Amerongen.
Graaf van Aldenburg
Bentinck vestigde zich in 1879 als tweeëntwintigja-rige terstond op
Amerongen en bracht het huis opnieuw tot bloei. In 1884 huwde hij Auguste
Wilhelmine Louise Adrienne gravin van Bylandt (1861-1916), die hem vier
zonen en een dochter schonk.
Hij legde zich erop
toe Amerongen en de bijbehorende goederen te behe-ren volgens moderne methoden.
Ook probeerde hij de bevolking te steu-nen door agrarische projecten op
te zetten, zoals de tabaksteelt die hij nieuw leven inblies.
Zijn opvatting over
restauratie en aanpassing van oude gebouwen zijn be-paald modern te noemen
in een tijd, waarin men er niet voor terugdeinsde de mooiste kerken, kastelen
en stadspoorten te slopen. Wat Victor de Stuers vurig preekte bracht Bentinck
in de praktijk. Hij gaf de bekende architect Dr P. J. Cuypers opdracht
enige veranderingen in het huis aan te brengen. Onder diens leiding werden
de eetzaal en de grote bovengale-rij danig onder handen genomen. Over ieder
detail werd uitvoerig gespro-ken of gecorrespondeerd en niet zelden paste
Cuypers zijn soms uitbundi-ge ontwerpen aan de soberder smaak van de graaf
aan. Zo koos Bentinck voor de achterwand van een buffet in de eetzaal een
lichte effen kleur, waar de architect een donkerblauw fond met gouden sterren
gedacht had. Ook de schilderijen werden opnieuw gerangschikt en op de grote
bovengalerij met de portretten van de heren en vrouwen van Amerongen voorzag
Cuypers het plafond van een eenvoudige schildering. De pilasters in deze
ruimte - oorspronkelijk wit kregen van hem een gepolijste groen
marmeren bekleding, behalve de hoogste, die hij op hout als mar-mer liet
schilderen. Hij ontwierp eveneens de balustrade rond de trap. In november
van het jaar 1918 vroeg de toenmalige commissaris der Ko-ningin in de provincie
Utrecht, Mr F. A. C. graaf van Lynden van Sandenburg, namens de regering
of graaf Bentinck voor een dag of vijf, zes de uit Duitsland gevluchte
Keizer Wilhelm II op Amerongen wilde herber-gen. Hij stemde hierin toe
en bood onderdak aan de Keizer en zijn talrijk gevolg. De paar dagen werden
er aanzienlijk meer want pas op 15 mei 1920 vertrok de Keizer naar Huize
Doorn, dat hij in augustus 1919 ge-kocht had. Op Amerongen tekende Wilhelm
II zijn abdicatie.
Na meer dan zestig
jaar slotheer geweest te zijn, overleed Godard graaf van Aldenburg Bentinck
in 1940 op het huis en liet het na aan zijn kinderen. Hun erfgenamen bezaten
Amerongen tot 1976 als onverdeelde boedel en verkochten het huis op 3 januari
1977 met het hele interieur aan de Stichting Utrechtse Kastelen. Hierdoor
bleef dit unieke kasteel met zijn onvervangbare schatten voor onze gemeenschap
behouden.
Helemaal naar boven
Klik
hier om mij een mailtje te sturen.