De Sluizen

De sluizen bij Amerongen liggen eigenlijk meer bij Wijk bij Duurstede. Als u in Amerongen de Lekdijk op gaat, en u loopt of, rijdt  zo'n 6 à 7 kilometer door, ziet u vanzelf het, altijd imposante, beeld van de sluizen.

Omdat dit onderwerp zo groot is, heb ik het verdeelt in de volgende onderwerpen

1. De kanalisatie van Neder Rijn en Lek: Inleiding
2. Waterhuishouding
3. Zorgvuldig stuwen
4. Verband tussen Rijnkanalisatie en Deltaplan
5. Uitdiepen van de bodem
6. Zandtransport
7. Afsnijden van de bochten in de Ijssel
8. Verbetering scheepvaartwegen
9. Ijssel reeds eerder verbeterd
10.Kort historisch overzicht
11.De Stuwen in Neder Rijn en Lek
12. Beschrijving van een stuw en sluiscomplex
13. Vizierschuiven
14. Middenpijler
15. Landhoofden
16. Stuwvloer
17. De sluis
18. Bedieningsgebouw
19. Enkele cijfers
 

1. De kanalisatie van Neder Rijn en Lek: Inleiding
De oorsprokkelijke grillige loop van de rivieren Ijsel, Neder Rijn en Lek bestaat niet meer. Ruimte voor de aanleg van de Ijselweg en de noodzaak de Ijssel als vaarweg en als afvoerweg voor water naar het Ijsselmeer te verbeteren, maakten de afsnijding van twee bekoorlijke rivierbochten nodig. Ook de met bomenomzoomde bocht bij De Steeg moest worden verlegd. Misscien zal de liefhebber van dit stukje Gelderland erom treuren. Maar wie nu de rivier bekijkt zal dit moeten doen in dde wetenschap dat de Ijssel thanszijn functie als scheepvaartweg volledig kan vervullen.

Dit kan ook gelden voor de Neder Rijn, de Lek en het Pannerdensch Kanaal. Samen met de Ijssel zijn de vaarwegen nu beter geschikt voor nationale en internationale binnenscheepvaart. De maatregel die hiervoor nofig was heet Rijnkanalisatie. Inmiddels zijn de afgesneden bochten niet zonder bestemming gebleven. Zij worden thans intensieff voor de water-recreatie gebruikt. In het afgeneden rivierengebied bij Rheden ontstaat door zandwinning op grote shaal een groot waterrecreatiegebied (het Rhederlaag)

Zeventig kilometer van de Neder Rijn en de Lek zijn gekanaliseerd, dankzij de bouw van de drie stuw- en sluiscomplexen bij Amerongen, Driel en Hagestein. Kosten: 137miljoen NLG. In samenhang met deze kanalisatie werden tevens sommige gedeelten van de rivieren Neder Rijn, Lek en het Pannerdensch Kanaal verdiept, terwijl in de Ijssel nog twee bochten werden afgesneden. Dit alles deed kosten van de Rijnkanalisatie stijgen tot 185  miljoen NLG.

Voor dit bedrag kocht Nederland een belangrijkeverbetering in de Ijssel, Neder Rijn en Lek als vaarweg. Bovendienwerd het mogelijk in samenhang met onder meer de spuitsluis in de Haringvliet-dam  de waterhuishouding in ons land beter te beheersen.
Klik hier om weer naar het begin te gaan

2. Waterhuishouding
Vooral het aspect waterhuishouding vormde een belangrijk doel van de Rijnkanalisatie. Het noorden van ons landis voor zoetwater aangewezen op het Ijsselmeer.Nr verwachting zal in de toekomst een steeds groter beroep op onze water zoet water worden gedaan, zoveel ter bestrijding van de toenemende verzilting als voor argrarische doeleinden als drinkwater. Bij voltooiing van de Ijsselmeerpolders, zou de oppervlakte van het Ijsselmeer echter inkrimpen. Daar kwam bij, dat de Ijsselniet genoeg zoet water aanvoerde om het verbruik van de droge periode te dekken.
Om dit te verbeteren was het nodig de afvoer van de Ijssel tijdens lage afvoeren van de Bovenrijn, te vergroten.   Dit werd de taak van de stuw bij Driel. Zodra de schuiven in de stuw zijn neergelaten, zal een extra deel van het Rijnwater worden gedwongen via de Ijssel naar het Ijsselmeer te stromen. De stuw bij Driel vervult dus alle functies van een 'kraan', waarmee het mogelijk wordt het beschikbare water te verdelen over de Neder Rijn en de Ijssel.     Dit mocht echter niet ten kostte gaan van het water in de Waal, de drukst bevaren rivier van Europa. De Waal heeft al zijn water nodig om een voldoende waterdiepte te behalen
Klik hier om weer naar het begin te gaan
3. Zorgvuldig stuwen
Het gebruik van de stuwen zal met overleg moeten gescheiden. Om het effect van Rijnkanalisatie zo groot mogelijk te laten zijn. De hoofdzaak daarbij is het beschikbare Rijn water zo goed mogelijk te verdelen. De verdeling gebeurt aan de hand van een programma dat aangeeft welkeafvoeren van de Ijssel en de Neder Rijn  moeten worden nagestreefd bij een bepaalde afvoer van de Bovenrijn. Zo'n programma heet een stuwprogramma. De ervaring leert, dat zo'n programma regelmatig bijgesteld moet worden.

In een gemiddeld jaar gaat twaalf procent van de Rijnafvoer via de Ijsel. Bij het neerlaten en opheffen, of gedeeltelijk heffen van de schuiven in de stuwen is nu maatgevend welke afvoer men minimaal zo lang mogelijk op de Ijssel wil handhaven. De scheepvaart op deze rivier is reeds gediend  met een afvoer van ten minste 250 m² per seconde. De Ijssel heeft een vaardiepte van ongeveer 2.70 meter. Deze hoogte noemt men de benedengrens. Om deze grens te kunnen aanhouden zal de stuw Driel ongeveer vijftig dagen per jaar geheel gesloten moeten zijn.   (Overigens zal ook bij gesloten stuwen een hoeveelheid water van ca. 25m² per seconde worden doorgelaten, voor de nodige verversing van de Rijn benedenstrooms. Dit is nodig ter aanvulling van het verdampte water, ter compensatie van de rivier naar de binnendijkse gronden, bijvoorbeeld de Betuwe).

De hoeveelheid water die zonder bezwaar door de Ijssel kan stromen wordt bovengrens genoemd. Deze grens is berekend op 350 m² water per seconde. Dan stroomt gemiddeld twintig procent van de Rijnafvoer door de Ijssel naar het Ijsselmeer. Om dit te bereiken zal de stuw ongeveer 120 dagen per jaar gesloten moeten zijn.
Klik hier om weer naar het begin te gaan
4. Verband tussen Rijnkanalisatie en Deltaplan
In tijde van geringe afvoer kan men niet zonder meer water aan de Neder Rijn en de Lek onttrekken om de waterstand in de Ijssel op peil te houden. Dit houdt het gevaar in, dat de verzilting op de Nieuwe Maas zal toenemen. De Rijnkanalisatie zou dan ook nooit volledig kunnen slagen als niet - in het kader Deltaplan - een dam met spuitsluis door het Haringvliet en een dam door de Volkerak waren aangelegd. Nu deze dammen er wel zijn is het mogelijk, bij geringe afvoer van de Rijn, het van boven komende water via de Noord en de Oude Maas langs de Nieuwe Waterweg te leiden en op deze manier de verzilting in dit open zeegat te bestrijden.
Klik hier om weer naar het begin te gaan
5. Uitdiepen van de bodem
De plaats van de stuw bij Driel, die zoals gezegd de taak heeft meer Rijnwater de Ijssel in testuwen, moest zorgvuldig worden bepaald. Kwam deze stuw te ver stroomafwaarts van het splitsingspunt tussen Neder Rijn en Ijssel te liggen, dan zou de verdeling van het water tussen beide rivieren niet nauwkeuring kunnen geschieden.
Bovendien zou er bovenstrooms van deze stuw te veel schade in de uiterwaarden ontstaan door de verhoogde waterstand. Anderzijds wilde Rijkswaterstaat deze stuw zo ver mogelijk in westerlijke richting schuiven om het aantal stuw en sluizencomplexen te beperken. De keus viel uiteinderlijk op een uiterwaard bij Driel. Nu was echter de afstand tusssen Driel en Pannerdensche Kop (splitsing tussen Waal en Pannerdensch Kanaal) zo kort - 23 kilometer langs de rivier - dat niet alleen water naar de Ijssel zou worden gestuwd, maar ook nog naar de Waal Dit zou ten kosten van de Ijsselafvoer gaan en was dus strijdig met de opzet van de Rijnkanalisatie. Dit bezwaar heeft men gedeeltelijk ondervangen door de Ijssel over een bepaalde lengte te verdiepen. Samen met de bochtcorrecties werd hierdoor het zogenoemd afzuigend vermogen van de Ijssel vergroot. Overigens is het voor de bevvarbaarheid van de Waal wel gunstig, dat de waterafvoer in deze rivier wat wordt verhoogd
Klik hier om weer naar het begin te gaan
6. Zandtransport
Nu doet zich bij het uitdiepen van een rivierbodem een probleem voor. De wijzigingen moeten op den duur houdbaar zijn. Zij verstoren echter tevens het natuurlijke regime van een rivier. Het water dat door de rivier stroomt neemt namelijk bodemmateriaal (zand en slib) mee. Dit transport is ingepast in het natuurlijke gedrag van het stromende water. Hoewel de wetenschap in het bestuderen van zandtransport, bodemligging, enz. de laatste decennia aanzienlijke vorderingen heeft gemaakt, kan niet worden voorkomen dat de berekende resultaten afwijkingen vertonen.

Nauwkeurige voorspellingen over de toekomstige bodem hoogte zijn dan ook niet mogelijk, omdat na de kanalisatie de rivier weer een natuurlijk evenwicht zal zoeken. Dit kan gepaard gaan met wijzigingen in de bodemligging. Daardoor zal op sommige plaatsen soms weer gebaggerd moeten worden en/of het stuwprogramma moeten worden gewijzigd.
Klik hier om weer naar het begin te gaan
7. Afsnijden van de bochten in de Ijssel
De IJssel zal zijn 'mond" wijd moeten openen, om al dat opgestuwde water zonder bezwaren te kunnen verwerken. In technische termen heet dit het "afzuigend vermogen". Het opgestuwde Rijnwater moet gemakkelijk de kop van de IJssel kunnen vinden en bovendien snel kunnen doorstromen. Daarom moest niet alleen de rivierbodem over een bepaalde lengte worden verdiept, maar ook de boven loop van de rivier worden bekort.
Dit is tot stand gebracht door tweemaal een bocht at te snijden: één bij Doesburg en één bij Rheden. Een derde bochtcorrectie bij De Steeg kon samenvallen met de gedeeltelijke aanleg van een autoweg, de lJsselweg.
De bochtafsnijding bij Doesburg kwam gereed in 1954. Het zand dat hierbij vrijkwam werd gebruikt voor de opritten van de brug bij Doesburg. Het zand uit de bochtafsnijding bij Rheden (1969) werd gebruikt voor de aanleg van de lJsselweg.

Het afsnijden van deze bochten heeft de loop van de IJssel met acht kilometer bekort. Een verkorting die tevens de scheepvaart ten goede komt. Doordat het lJsselwater nu echter het gehele jaar door sneller stroomt, is het onderhoud aan de oevers toegenomen.
Klik hier om weer naar het begin te gaan
8. Verbetering van de scheepvaartwegen
De kanalisatie van de Neder Rijn en de Lek heet tevens tot doel de IJssel en de Neder Rijn beter bevaarbaar te maken. De IJssel vormt voor de binnenscheepvaart een belangrijke verbinding. Noord-Nederland, waarbij in dit geval ook Amsterdam kan worden gerekend en Noord-Duitsland krijgen via het water van deze rivier een verbinding met de industriecentra langs de Rijn en de zijrivieren.
Bovendien profiteren van deze verbinding ook de aansluitende kanalen en rivieren in Limburg, oost-België en oost-Frankrijk mee. Ten slotte vormt de IJssel via het Twente kanaal een belangrijke verbinding met het Twentse industriegebied. Helaas liet de rivier in het verleden door lage waterstanden bijlage afvoeren van de Bovenrijn, de scheepvaart in de steek. In 1959 konden bijvoorbeeld schepen die vol beladen 2.50 meter diep staken, slechts tot de helft worden beladen. In het laatste kwartaal van 1959 konden slechts schepen met een diepgang van minder dan 1.50 meter de IJssel passeren. In oktober 1959 kwam zelfs een week voor, waarin de toegestane diepgang maar tachtig centimeter bedroeg. In 1969 was de waterdiepte drie weken lang, slechts
1.40 meter.

Hoewel dergelijke extreme droogteperioden uitzonderingen zijn, tonen de overzichten aan dat gemiddeld eens in de vier jaar de lage waterstand in de IJssel ernstige belemmeringen vormt voor de scheepvaart.
Ook op de Neder Rijn liet de waterdiepte meer dan eens te wensen over. Om tot een vergelijking te komen van de waterdiepten van onze Rijntakken, maakte men gebruik van de O.L.R.:
de Overeengekomen Lage Rivierafvoer. Bij zo'n O.L.R. - dus bij een lage waterstand - was de diepte van het vaarwater op de Waal circa 2.30 meter, op de Neder Rijn circa 1.65 meter en op de IJssel ongeveer 1.40 meter. Hieruit bleek dat de waterdiepte op Neder Rijn en de IJssel ver achterbleef bij de waterdiepte van de Waal. Zodra nu, in tijden van lage afvoeren, het stuwprogramma in werking treedt, zal de waterdiepte van de IJssel op minimaal 2.70 meter komen. De Neder Rijn krijgt door de kanalisatie een minimale waterdiepte van omstreeks 3.00 meter, terwijl ook de waterdiepte op de Waal iets wordt vergroot. Het verschil in waterdiepte tussen Waal, Neder Rijn en IJssel wordt hiermee aanmerkelijk verminderd. Overigens zullen Neder Rijn en IJssel als vaarwegen nooit gelijkwaardig worden aan de Waal. De vaargeul van de Waal, met zijn breedte van 150 meter, blijft superieur aan de bochtige en smalle vaargeulen van de Neder Rijn en IJssel. Wel zal de Neder Rijn bij gesloten stuwen een kleinere stroomsnelheid krijgen. Voor de opgaande scheepvaart betekent dit een voordeel. In zo'n situatie verkiest een deel van het west-oostverkeer - en dan vooral de kleinere schepen - de Neder Rijn boven de Waal. De laatste jaren is bovendien een duidelijke toename merkbaar van de recreatievaart op de Neder Rijn.
Klik hier om weer naar het begin te gaan
9. Ijssel reeds eerder verbeterd
Voordat de Rijn kanalisatie werd uitgevoerd, was reeds eerder getracht de IJssel beter bevaarbaar te maken. Men is hierin gedeeltelijk geslaagd door de rivier te normaliseren. Onder normaliseren wordt verstaan het versmallen van de rivier om een betere waterdiepte te krijgen.

In 1924 was de normalisatie gereed. Verdere versmalling van de IJssel is onmogelijk omdat nu reeds de boven loop nauwelijks breed genoeg is om de riviervaart met grotere schepen mogelijk te maken. Natuurlijk heeft men bij zo'n omvangrijk project als de Rijnkanalisatie rekening moeten houden met bepaalde factoren, die in zekere zin als beperkende voorwaarden kunnen worden gezien. Op een rij gezet zien deze factoren er als volgt uit:

- beperking van de kosten, mede daarom zo weinig mogelijk stuw- en sluiscomplexen,
- de stuwen mogen geen schade berokkenen aan de visstand (Dit werd opgelost door de aanleg van vissluizen en aalgoten),
- stuw- en sluiscomplexen moeten zodanig gesitueerd zijn dat de scheepvaart zowel tijdens als na de bouw zo weinig mogelijk hinder ondervindt,
- de grootste bekende afvoeren van de Rijntakken mogen na de kanalisatie niet veranderen,
- een vermindering in de afvoer van de Neder Rijn mag niet leiden tot toenemende verzilting van de Nieuwe Maas. (Zoals reeds vermeld, wordt aan dit bezwaar tegemoet gekomen door de Deltawerken).
Klik hier om weer naar het begin te gaan
10.Kort historisch overzicht
Klagen over de Rijn als bron van vervuiling en overstroming is niet iets van vandaag of gisteren. Reeds in het midden van de achttiende eeuw werd de klacht gehoord, dat 's lands rivieren genoegzaam zonder toezicht zijn geweest, dat ze maar geacht werden als vuilnisgoten waarin elk mocht morsen, zoals het hem behaagde". Bijna vijftig jaar later - in mei 1798 - werd deze klacht als het ware beantwoord door de oprichting van de dienst, die thans Rijkswaterstaat heet. Nog in dezelfde eeuw werden regularisatiemaatregelen getroffen om overstromingen tegen te gaan. Maar de Waterstaat besefte dat men verder moest gaan. Plannen tot kanalisatie van de Rijn werden reeds in de eerste helft van de negentiende eeuw opgesteld. In hun oorspronkelijke vorm zijn deze plannen echter nooit tot uitvoering gekomen. Wel werden rond 1850 - na een waarschuwend rapport van twee Waterstaatsingenieurs - plannen voor een normalisering van de Rijn opgesteld, terwijl voor dit doel tevens geld Ier beschikking kwam. Sindsdien is er regelmatig gewerkt aan een verbetering van de Rijn en de andere vaarwegen in ons land.

De kanalisatie van de Neder Rijn en de Lek is een vervolg hierop en vormt - in samenhang met de Deltawerken - in feite de start voor een nieuwe periode van waterbeheer in Nederland.
Klik hier om weer naar het begin te gaan
11.De Stuwen in Neder Rijn en Lek
Om kanalisatie van de Neder Rijn en de Lek mogelijk te maken, zijn in de rivier drie stuw- en sluiscomplexen gebouwd.

Het stuw- en sluiscomplex Driel, nabij Doorwerth, is het bovenste complex. Gaat deze kraan dicht, dat wij zeggen worden de schuiven gesloten, dan gaat een deel van het Rijnwater naar de IJssel. De bouwput van deze stuw in het winterbed van de rivier kwam gereed in 1964. Het gehele complex werd voltooid in 1970.

Het stuw- en sluiscomplex Amerongen, bovenstrooms van Wijk bij Duurstede, is het middelste complex. Deze stuw heeft tot taak, ondanks de beperkte afvoer van de Neder Rijn, de waterstand in het rivierpand Driel-Amerongen (31 kilometer) op een voldoende hoog peil te handhaven, ten behoeve van de scheepvaart en de waterhuishouding. In 1959 begon Rijkswaterstaat aan de bouwput in het winterbed van de rivier. Eind 1966 werd dit stuwcomplex in gebruik genomen.

Het stuw- en sluiscomplex Hagestein, niet ver bovenstrooms van Vreeswijk, is de benedenste stuw. Dit complex kwam klaar in 1958. Deze stuw heeft onder meer tot taak de waterstand in het rivierpand Amerongen--Hagestein (23 kilometer) op peil te houden. De handhaving van de waterstand in dit rivierpand komt tevens ten goede aan het deel van het Amsterdam-Rijnkanaal dat tussen Wijk bij Duurstede en Tiel ligt. Dit gedeelte van het kanaal staat, behalve bij zeer hoge waterstanden, in open verbinding met de Neder Rijn. In de middenpijler van de stuw bij Hagestein is een turbine gebouwd, die in staat is per jaar zes miljoen KWh op te wekken: voldoende om een stad als Arnhem te voorzien van straat- en huisverlichting.

Klik hier om weer naar het begin te gaan
12. Beschrijving van een stuw en sluiscomplex
Een stuwcomplex bestaat in hootdzaak uit twee delen: een stuw gevormd door twee landhootden en een middenpijler waartussen zich vizierschuiven bevinden. Bij dit geheel hoort een sluis die als de stuw is gesloten, de passage van schepen mogelijk maakt over een verval van drie meter. De drie stuw- en sluiscomplexen zijn in atmeting en uitvoering vrijwel identiek. Omdat bij de stuw Hagestein het verval wordt gebruikt voor de winning van elektrische energie (Een functie die de twee andere stuwen niet hebben) moest de middenpijler van deze stuw groter worden gemaakt om ruimte voor de turbine te krijgen. Bij Hagestein is de middenpijler dan ook 14 meter breed en 68 meter lang. De overige stuwen hebben een middenpijler van 12.50 meter breed en 59 meter lang. Een ander verschil is dat de sluis bij Hagestein 225 meter lang is, terwijl de sluizen bij de stuwen Amerongen en Driel 260 meter lang zijn. Wegens de vaart tussen het Roergebied en Amsterdam werd bij deze laatste twee sluizen meer scheepvaart verwacht.
Klik hier om weer naar het begin te gaan
13. Vizierschuiven
Het belangrijkste onderdeel van een stuw is de vizierschuif: een half cirkelvormige 'klep" die door zijn vorm en manier van heffen herinneringen oproept aan de oogvizierklep van de oude ridderhelm.
De vizierschuiven wegen elk 200 ton. Door middel van zware assen zijn zij in het landhoofd en de middenpijler gemonteerd. Via kabels kunnen deze schuiven in tweeënhalf uur worden geheven, totdat zij in een hoek van zestig graden omhoog staan. Deze lange heftijd is noodzakelijk om geen zogenoemde translatiegolf in de rivier te laten ontstaan.

Elektromotoren van drie pk, in totaal vier per schuif, zorgen voor de aandrijving van de kabeltrommels waar de kabels zich tijdens het heffen langzaam omheen winden. Het heffen kan in noodgevallen ook met de hand gebeuren. Zowel de elektromotoren als de trommels bevinden zich in de machinekamers die hoog op de betonbogen zijn aangebracht.
Bij de hoogste bekende waterstand biedt de geheven schuif nog een vrije doorvaarthoogte van 9.10 meter over een breedte van 38 meter. De totale doorvaartbreedte is echter 48 meter.

Een vizierschuif is negen meter hoog en keert in gesloten toestand vieren halve meter water. De schuif bestaat uit een halve cilinder van plaatstaal, bevestigd op halfcirkelvormige "randliggers", zoals de technici dit noemen. Midden in de schuit bevindt zich een verticale scharnier om demontage van de schuit mogelijk te maken om temperatuurspanningen op te vangen.
Klik hier om weer naar het begin te gaan
14. Middenpijler
De middenpijler van een stuw heeft een hoogte van 12 meter boven de stuwvioer, een breedte van 12.50 meter (bij Hagesteinl4 meter). Een deel van de pijler bevindt zich onder de stuwvioer. Hierin zijn een uitstroomkanaal en een cilinderschuif gebouwd, waardoor het bij gesloten schuiven mogelijk blijft een hoeveelheid water van maximaal 90 kubieke meter per seconde door te laten. Bovendien zijn er nog spoelriolen aanwezig, waardoor een stroom water kan worden geleid om de nissen schoon te spoelen voordat de schuiven worden gesloten. De cilinderschuif en de spoel riolen worden als een soort fijnregeling gebruikt bij hef afvoeren van kleine hoeveelheden water. In de middenpijler zit de middenscroef, die al het water omhoog pompt.

Klik hier om weer naar het begin te gaan
15. Landhoofden
De landhoofden dragen evenals de midden pijler ook een beton boog met hefinrichting en een machinekamer op bijna 32 meter boven de stuwvloer. De landhoofden zijn echter niet uitgerust met een constructie voor het beperkt doorlaten van water. Wel heeft ieder land hoofd een vissluls voor schubvis en een hellende goot voor glasaal. Bij de bouw van de stuwen heeft men de stroomopwaarts trekkende vis geen belemmeringen in de weg willen leggen. Glasaal maakt gebruik van een goot, vlak langs de oever. Deze hellende goot, gevuld met rijshout brengt de snelheid van de tegenstroom terug tot minder dan 0,2 meter per seconde; glasaal kan niet meer tegenstroom verwerken. Uit tellingen in 1978 bij Amerongen is gebleken, dat alleen al in de trektijd van mei tim juli ongeveer een miljoen glasaaltjes gebruik maakt van de goten. Bij de stuw Driel is geen aalgoot gebouwd, omdat de glasaal daar al zo groot is, dat deze over het drassige land kan trekken.

Schubvis overwint een tegenstroom van één âanderhalf meter per seconde. Doordat deze vis in hef midden van de rivier zwemt, wordt zij naar de landhoofden gelokt waar een apart schutkolkje voor de vis is gebouwd. Eenmaal daarin beland wordt de vis omhoog geschut. Dit schutten gebeurt volautomatisch. Door glazen wanden kan de vis worden geobserveerd.
Klik hier om weer naar het begin te gaan
16. Stuwvloer
Tussen de landhoofden bestaat de vloer uit grote betonplaten. Dit is de stuwvloer. In aansluiting op deze vloer is de rivierbodem bekleed met beton blokken die, opgesloten tussen stalen damwanden, uitschuring van het rivierbed over de eerste tientallen meters onmogelijk maken.

In gesloten stand rusten de vizierschuiven op een betonnen drempel in de vorm van een halve cirkel. Onder het bovenstroomse gedeelte van de stuwvloer bevindt zich een tunnel, die door middel van liften uit de landhoofden en de middenpijler kan worden bereikt.
Door deze tunnel zijn leidingen en kabels gelegd, die voor het merendeel leiden naar het centrale bed leningsgebouw. Wanneer de schuiven zijn geheven is deze tunnel de enige verbinding met de andere oever.
Klik hier om weer naar het begin te gaan
17. De sluis
Naast de stuwen is een sluis gebouwd, die wordt gebruikt als de vizierschuiven zijn neergelaten. De sluis heeft een schutkolkbreedte van 18 meter, terwijl de kolk 260 meter lang is (Bij Hagestein 220 meter). De schutkoik kan door puntdeuren worden verdeeld in een kolk met een lengte van ruim 152 meter en een kolk met een lengte van 90 meter. (Bij Hagestein respectievelijk ruim 112 meter en 90 meter). Bij minder drukke scheepvaart gebruikt men de korte kolk om te schutten. De vultijd van de grote kolk duurt ongeveer acht minuten, maar een volledige schutting (met in- en uitvaart) duurt ongeveer een halt uur.

Bij hoge waterstand loopt de sluis onder, op enkele vitale delen na. Behalve de nodige seinlichten, is zowel op de stuw als op de sluis terreinverlichting aangebracht.
Klik hier om weer naar het begin te gaan
18. Bedieningsgebouw
Tussen Stuw en sluis ligt een bedieningsgebouw. Zoais de naam al aangeeft wordt de stuw bediend vanuit dit gebied. Ook staan hier elektronische instrumenten opgesteld, die aangeven hoe het verloop van de waterstanden is. De stuwmeester kan dan aan de hand van deze gegevens en grafieken nagaan welke hoeveelheden water doorgelaten kunnen worden. In de toekomst zal ook de sluis in dit gebouw worden bediend. Per stuw-sluiscomplex zijn elf man nodig voor de bediening. Bij elke stuw zijn voor hen dienstwoningen gebouwd.
Klik hier om weer naar het begin te gaan
19. Enkele cijfers
Ten slotte nog enige cijfers om aan te geven welke hoeveelheden materiaal nodig waren om een stuw-sluiscomplex te bouwen. Als voorbeeld wordt de stuw Hagestein genomen, die meer dan f40 miljoen heeft gekost. Ruimde helft van dit bedrag was nodig voor stuw en sluis, de rest werd besteed aan grondaan koop en rivierwerken. Overigens is de stuw Hagestein zo gelegen, dat er ook nog een bocht kon worden afgesneden.

Dit zijn de cijfers aan materiaal voor de stuw bij
Hagestein:
23.000 kubieke meter beton gestort voor sluis,
42.000 kubieke meter beton gestort voor de stuw,
800 betonpalen voor geleidingswerken bij sluis,
4000 ton wapeningsstaal,
3000 stalen damwandplaten voor schermwanden,
vijf miljoen kubieke meter grond verzet,
drie miljoen vierkante meter zinkwerk,
200.000 ton stort- en zetsteen.

In een jaar met gemiddelde Rijnafvoeren zal de stuw ongeveer drie maanden geheel en zes maanden gedeeltelijk gesloten zijn. In de resterende drie maanden zal de waterstand zo hoog zijn, dat er niet gestuwd hoeft te worden. In een droog jaar kan het echter voorkomen dat de stuwen hef gehele jaar volledig of gedeeltelijk gesloten zijn.
Bij ijsgang worden de stuwen geheven.
Klik hier om weer naar het begin te gaan



 

Klk op de brief om een email te versturen



Mark van Barneveld 1999 ©